De moderne journalist in een kluwen van rollen

Sociale media hebben het journalisten in hun rol van spreekbuis niet eenvoudiger gemaakt. Niet alleen in de kranten en de online versies daarvan, maar ook op sites als Facebook en Twitter kunnen journalisten erg actief zijn. Maar wat zijn de minder positieve kanten van het belang van sociale media voor journalisten?


Onderschat een netwerk niet

In zijn gastcollege aan de HUB vond Frank De Graeve van Quadrant Communications alvast dat er voordelen waren aan sociale media. Volgens hem worden artikels en reportages worden er nu soms zelfs gemaakt, dus niet alleen meer besproken. Je kan hier de basis leggen voor een nieuw artikel of een reportage, onder meer afhankelijk van het onderwerp en de actualiteitswaarde hiervan. In de praktijk gaat het vaak over conversaties met onder meer woordvoerders van bedrijven of politieke partijen. Onderzoek van Joyce Nip wees erop dat bijvoorbeeld ook sport, cultuur en onderwijs domeinen zijn waarin een uitgebouwd netwerk van pas kan komen.

Een netwerk is dus wel degelijk belangrijk. Journalisten moeten in hun vakdomein proberen interessante mensen te vinden. Ze kunnen deze contacten bijvoorbeeld opslaan als een lijst in Twitter, die zelfs een eigen tijdlijn wanneer je de lijst in een Twittercliënt als TweetDeck opent. Als je dan toch iemand vindt voor een dringend gesprek, dan kan je dat meteen ‘en plein public afnemen’ – nog een trend waarin De Graeve gelooft voor de nabije toekomst.

Overdaad aan mysterie schaadt

Gesprekken op sociale media kunnen nuttig zijn; alleen moeten gesprekspartners volgens De Graeve in zulke situaties transparant en open blijven. Hij wijst erop dat de ‘geïnterviewde’ personen al eens dingen moeten vertellen die ze om een bepaalde reden liever (nog) niet kwijt willen. Een goede vraag van een journalist kan daarvoor de reden zijn, of een (on)gelukkige tussenkomst van een andere gebruiker – het is maar hoe je het bekijkt. Wie niet antwoordt op heikele vragen, werkt zichzelf in de problemen. Anderen ruiken dan belangstelling (“Hier klopt iets niet!”) of krijgen een negatief gevoel (“Zeg het nu toch, wat doe je hier anders?”). Volgens De Graeve moeten mensen die sociale media omarmen meteen ook de openheid ervan omarmen en respecteren.

Sterker nog, er is niet alleen de openheid, ook de openbaarheid. Iedereen kijkt mee en kan zich mengen in een gesprek, zeker als dat via openbare tweets gebeurd. Twitter is nu eenmaal een meer openbaar medium dan bijvoorbeeld Facebook en LinkedIn, die werken rond zorgvuldig uitgekozen vriendschappen en netwerken. Een gevolg daarvan is dat zowel journalisten als hun gesprekspartners beter oppassen wat ze zeggen, omdat de minste ongelukkige zet door iemand opgepikt kan worden, waardoor een vuurtje zich snel kan verspreiden …

Zelfreflectie

De Finse Laura Ruusunoska ondervond al eerder in een onderzoek bij drie Finse kranten dat journalisten goed nadenken over wat ze zeggen in het openbaar. Zij wijst op vier hoofdaspecten waarover journalisten nadenken in hun publieke rol: hun eigen werkomgeving, het mediabedrijf waarvoor ze werken, hun publiek en hun beroep. Tegenover nieuwsconsumenten zien journalisten zichzelf als verschillende functies. De ene voelt zich een helper, de andere een moderator, nog anderen dan weer een (mede)werker of zelfs een commercieel verantwoordelijke van zijn of haar werkgever.

Hoe het ook zij, volgens Ruusunoska moeten journalisten zich achter de principes van hun krant kunnen scharen om hun job zo goed mogelijk uit te voeren. Dat komt omdat volgens haar journalisten vaak ergens het gevoel hebben dat ze hun werkgever moeten vertegenwoordigen. Voor freelancers geldt dit natuurlijk niet, maar zij hebben hun imago te verdedigen, als deel van hun personal branding.

Sociale media tegenover eigen sites

De manieren om je op sociale media te laten zien of horen zijn legio. Op blogs, microblogs (bv. Twitter), videoblogs (bv. YouTube), sociaalnetwerksites en zelfs op social-bookmarkingsites en FourSquare kunnen journalisten interessante en zelfs noodzakelijke contacten leggen. Maar waarom zijn net sociale media nuttig voor zulke contacten en om een band met het publiek te scheppen? Waarom niet eigen websites? Omdat op sociale media nu eenmaal een sterk publiek aanwezig is. Daarover zijn velen het eens, waaronder Scott Rosenberg.

Daarentegen vindt Rosenberg dat we ook andere middelen dan pakweg Facebook moeten gebruiken. Hij vraagt zich af of Facebook op termijn geen munt moet slaan uit de grootte van het medium, onder meer onder druk van aandeelhouders. Daarnaast vindt Rosenberg dat journalisten en mediabedrijven met deze trend aantonen dat hun eigen websites falen. Waarom proberen journalisten niet namelijk meer mensen wij die sites te betrekken dan te vertrouwen op sociale media?

Rosenberg heeft het echter nergens over de optie dat een artikel nog geschreven moet worden. De Graeve had het in die context over contacten zoeken, contacteren en gebruiken als bron. Daarvoor lijken sociale media net wel een goed idee, omdat je daar hun accounts vindt. Op eigen websites moet je wachten tot je een reactie van iemand krijgt en kan je zelf ten hoogste een oproep lanceren in de hoop dat die gelezen wordt. Ook al klopt Rosenbergs principe dat PR-verantwoordelijken meer moeten nadenken over de aantrekkingskracht van ‘gewone’ websites, toch blijven sociale media handig. Meer dan een miljard Facebookgebruikers en ongeveer de helft van dat aantal op Twitter, dat zijn markten die je veel potentieel bieden.

Bronnen

  • De Graeve, F. (2012, 18 december). Gastcollege Hogeschool-Universiteit Brussel.
  • King, K. (2008). Journalism as a Conversation. Nieman Reports62(4), 11-13.
  • Nip, J. M. (2006). Exploring the second phase of public journalism. Journalism Studies7(2), 212-236. doi:10.1080/14616700500533528
  • Rosenberg, S. (2012). Why journalists should think twice about Facebook. Geraadpleegd op 26 december 2012 via http://www.wordyard.com/2011/05/03/why-journalists-should-think-twice-about-facebook/
  • Ruusunoksa, L. (2009). Rearticulating the Journalism Profession: Public Journalism and Professional Reflexivity. Conference Papers — International Communication Association, 1-20.
Advertenties