De invloed van wiki’s op journalistiek

Het lijkt op het eerste zich niet de meest ideale link, wiki’s en journalistiek. Wie de voorbije jaren als student papers en werkjes heeft moeten maken, zal weten hoeveel docenten Wikipedia als mogelijke bron afraadden of zelfs verboden. Wiki’s bieden nochtans vele mogelijkheden, van informatiebeheer in bedrijven tot samenwerkingsprojecten in het onderwijs. Maar zijn wiki’s even handig voor journalisten?

Nochtans is een wiki in de realiteit niet altijd even betrouwbaar of even nuttig. De ene pagina kan honderden voetnoten en een dozijn externe links bevatten, terwijl de andere vol schrijffouten staat, om het maar niet over de inhoud van bepaalde pagina’s te hebben. Je vindt op Wikipedia ook zowel gewichtige als niet-nieuwswaardige onderwerpen, van de Arabische Lente tot een overzicht van alle afleveringen van de kinderserie SpongeBob SquarePants.

Er zijn evenwel ook voordelen aan het open karakter van wiki’s. Omdat iedereen ze kan bewerken, kan ook iedereen er fouten uit halen. Daarenboven zijn wiki’s met hun werelds karakter – alvast in theorie – gebalanceerder in (wereld)visie. Dankzij de inbreng van gebruikers uit verschillende werelddelen is het minder waarschijnlijk dat artikelen bijvoorbeeld te occicentristisch worden, met andere woorden te westers getint. Daarenboven werken aan wiki’s vaak meerdere personen, terwijl een blog vaker door een iemand beheerd en bijgehouden wordt. Zeker Wikipedia telt zovele vaste en toevallige gebruikers dat de fouten van iemand anders eenvoudig rechtgezet kunnen worden. Misschien een heikel punt voor artikels over recente ontwikkelingen, maar nuttig om het medium als archief te gebruiken.

Een voorbeeld van de mogelijke waarde van Wikipedia is het Engelstalige artikel over de aanslagen in Mumbai in 2008. Een beknopte samenvatting aan het begin van het artikel, aandacht voor de situatie voor, tijdens en na de aanslagen, maar ook zeer gedetailleerde informatie en – in dit geval – meer dan 200 bronverwijzingen. Daarbij komt nog dat de meeste hoofdstukken hun eigen, uitgebreidere artikel hebben, uitsluitend gewijd aan één deelaspect (overzicht gebeurtenissen, slachtoffers, nasleep enzovoort).

Ook dubbele gevallen zijn mogelijk, zoals de dood van Anna-Nicole Smith in 2007. Wikipedia bleek in deze case de eerste bron te zijn die het model dood verklaarde nadat ze het bewustzijn verloor in een hotel in Florida. Pas later bevestigden Associated Press (AP) en andere persagentschappen het nieuws van haar overlijden. Maar ook al publiceerde Wikipedia het nieuws eerder, toch verdween de sterfdatum even van de site. Volgens Jimmy Wales, medeoprichter van Wikipedia, ligt dat de moderators. Niet alle moderators voelen aan dat een wijziging aan een pagina even correct is. Sommige ervan zullen dus een gerucht of onvoldoende bevestigd feit uit de pagina halen door terug te schakelen naar de vorige versie ervan.

Wiki’s als bron of tool: goed idee of toch niet?

Gebruiken journalisten het effectief? In Amerika alleszins wel. Marcus Messner en Jeff South onderzochten de vermeldingen van Wikipedia bij vijf Amerikaanse kranten gedurende zeven jaar. De periode liep van de oprichtingsdatum van de site, 15 januari 2001, tot en met 31 december 2007.  Wikipedia wordt sinds 2004 meer en meer in artikels verwerkt, al bleek gedurende het hele onderzoek dat Wikipedia meer als fenomeen vermeld werd  (70,3 % over de vijf kranten over zeven jaar) dan als bron (10,8 %). In 18,8 % van de onderzochte gevallen werd Wikipedia gewoon vermeld. De site kwam het vaakst voor in nieuwsartikels (81,3 %), vergeleken met columns (10,3 %), kortnieuws, interview en andere. Ze werd ook eerder vermeld in de bodytekst (87,6 %). Als bron kwam Wikipedia voor in de katernen lifestyle (life section, 34,8 %), economie (17,4 %), belangrijk nieuws (A-section, 14,3 %), columns (6,8 %), lokaal nieuws (2,5 %), sport (1,9 %) en de voorpagina (idem). Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat in de artikels de site steeds vaker positief geframed wordt en vaker vertrouwd dan gewantrouwd wordt.

Ook volgens onderzoekers als de Braziliaan Carlos d’Andreu heeft een wiki een plaats in de journalistiek. Hij benadrukt wel dat journalisten beter in staat zijn een journalistiek hoogstand artikel te schrijven dan een groep vrijwilligers. In dat opzicht kan de journalist wel perfect functioneren als professionele bemiddelaar, wat volgens d’Andreu een van de kernwaarden is van de job, al sinds het beroep als dusdanig gezien wordt. De journalist kan wiki’s dus gebruiken als hulpmiddel, maar de stelling dat wikibewerkers journalisten vervangen, vindt d’Andreu overroepen. Aanvullen en helpen, tot daaraan toe, maar niet wegdrummen.

Het zou goed zijn voor sites als Wikipedia dat ze zich kunnen blijven ontwikkelen. Kritische stemmen zien in wiki’s graag de waarheid en dus geen speculaties die er als feiten uitzien. Daarnaast vinden ze meer (lees: overal waar nodig) bronvermeldingen altijd welkom. En als het kan, mag de schrijfstijl nog wat consistenter. Zo zou Wikipedia nog meer de richting van encyclopedieën als Encarta en Britannica opgaan: naslagwerken met veel trefwoorden en inhoud, interne en externe links, maar ook met betrouwbaarheid. Daar schort het nog altijd: Wikipedia lijkt nog vaak een nuttig medium om een begrip te leren ontdekken, maar niet om over datzelfde begrip te berichten. Ook is het een medium dat “vaak” nauwkeurig is, in plaats van “altijd” of “op een uitzondering na”. Dat oordeel kan veranderen als de medewerkers en gebruikers hun best doen het medium transparant te houden.

Maar laten we ook het volgende onthouden: geen enkele nieuwsbron is heilig. De ene bron is betrouwbaarder dan de andere, maar daarom niet absoluut onbetwistbaar, nu niet en later evenmin. Wikipedia als enige bron gebruiken zal dus riskant blijven, net als dat voor andere bronnen het geval is.

Bronnen

  • d’Andréa, C. (2009). Collaboration, editing, transparency: challenges and possibilities of a “wikification” of journalism. Brazilian Journalism Research, 5(1), 22-37.
  • How Wikipedia Breaks News, and Adjusts to It. (2007, 9 februari). Geraadpleegd op 8 december via http://www.npr.org/templates/story/story.php?storyId=7320255
  • How does Wikipedia measure up?. (2008). Quill96(9), 16-19.
  • In Wikipedia we trust… almost. (2011). Conference Papers — International Communication Association, 1-29.
  • Melanson, M. (2010, 14 maart). Why Wikipedia Should Be Trusted As A Breaking News Source. Geraadpleegd op 8 december via http://readwrite.com/2010/03/14/why_wikipedia_should_be_trusted_or_how_to_consume
  • Messner, M., & South, J. (2011). Legitimizing Wikipedia. Journalism Practice5(2), 145-160. doi:10.1080/17512786.2010.506060
  • Shaw, D. (2008). Wikipedia in the newsroom. American Journalism Review30(1), 40-45.

Fact checking: zo logisch als het lijkt?

Fact checking is een fenomeen dat in Europa misschien niet zo bekend is, maar in de Verenigde Staten wel. Het principe werd onder meer toegepast tijdens de debatten rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen dit jaar. Media analyseerden het discours van zowel Barack Obama als Mitt Romney en probeerden zo na te gaan hoe eerlijk beide kandidaten waren. Een voorbeeld hiervan kwam van de New York Times, waar analisten duiding gaven over opmerkelijke uitspraken in een live overzicht van het hele debat. In de VS bestaan zelfs organisaties die de feitelijke correctheid van uitspraken analyseren. Het gaat hier vooral over initiatieven vanuit het onderwijs en non-profitorganisaties, met als een van de bekendste namen Factcheck.org.

Dit is een voorbeeld van fact checking over de meest recente Amerikaanse presidentscampagne op internationale televisie, in dit geval op CNN. De analist gaat hier in op de bewering van Mitt Romney dat Barack Obama  een wet in de bijstandsregeling zou aanpassen. Wie van bijstand wilde genieten, zou daarvoor niet meer binnen een bepaalde periode aan het werk moeten, wat sinds 1996 wel het geval was. Romney bleek echter ‘wat voortvarend’ te zijn, of ‘hij loog’, afhankelijk van hoe fel je de discrepantie wilt voorstellen.

Veelzijdige taak

Maar wat kunnen fact checkers dan bijbrengen aan de journalistiek? Volgens Maximilian Schäfer, zelf sinds 1998 wetenschappelijke fact checker voor het Duitse weekblad Der Spiegel, begint de bijdrage bij de reputatie van media. Publicaties waarin geregeld een fout te lezen valt, zullen daardoor aan reputatie verliezen en daaropvolgend misschien ook hun oplagecijfer zien dalen. In dat opzicht is fact checking niet puur luxe, maar ook essentieel voor kwaliteitsjournalistiek. Ook de bazen van tabloids zouden trouwens niet graag fouten zien staan in hun bladen, zoals leugens over bekende persoonlijkheden. Ook Jeroen van den Hoven en John Weckert zijn het daarmee eens: de kwaliteit van een publicatie gaat dankzij fact checking omhoog. Ze vinden wel dat het vooral om het waarheidsgehalte gaat en niet om toevallige fouten zoals spelfouten en typefouten. Zij beweren dan ook dat de feitenkennis van de lezers erop vooruit gaat dankzij de verhoogde kwaliteit van het gelezen werk.

Schäfer doet in zijn werk het proces uit de doeken. Een deel van het verificatieproces kan gebeuren vooraleer een artikel binnen is, maat dat aandeel blijft vaak beperkt. Het is niet (altijd) de bedoeling dat fact checkers nagaan of feiten waar zijn, maar in de eerste plaats wel dat de informatie in een stuk overeenkomst met die in de gebruikte bronnen. Het is volgens Schäfer wel handig om de allereerste berichtgeving te kunnen traceren als er twijfel is. In zekere zin vindt hij de berichten in magazines of kranten en zelfs persberichten gevaarlijk, omdat daar de feiten reeds samengevat en/of versimpeld worden. Daarnaast moeten bronnen kritisch bekeken worden op hun datum. In de geografie en andere wetenschappen zijn theorieën al vaak deels of helemaal omgegooid na nieuwe ontdekkingen. In andere gevallen worden kwesties complexer. De klassiek aangenomen grootte van de Mount Everest is 8.848 meter, maar andere bronnen spreken ondertussen van 8.844 meter. Wat de verschuivende aardplaten niet met een mens kunnen doen.

Nieuwemediaproblemen: crowd checking, de gebruiksvriendelijkheid van blogs en domeinverschillen

Ook voor de nieuwe media en de gebruikers ervan heeft  het fenomeen fact checking gevolgen. Schäfer verwijst hierover naar het fenomeen crowd checking. Niet alleen kunnen fact checkers nu sneller informatie verifiëren dankzij de huidige technologieën, hetzelfde geldt voor mensen buiten de gevestigde media. Zij kunnen fouten in internetbronnen opzoeken en erop reageren, al dan niet in een kritische mail of blogpost. Is dit een hulpmiddel voor de journalist? Ja en neen. Jawel, omdat burgers de informatiecorrectheid verhogen, maar ook niet, omdat ze officiële fact checkers onder hoge druk zetten.

Van den Hoven en Weckert stelen zich in hun boek daarnaast de belangrijke vraag: Is een blog minderwaardig ten opzichte van een ‘conventioneel’ nieuwsmedium, door het verschil in verificatie van de inhoud? Volgens hen zijn er altijd wel blogs die  zwaar tekort schieten en andere die het op hun beurt goed doen. Desondanks is de betrouwbaarheid van de blogosfeer iets heel anders dan de betrouwbaarheid van een enkele blog. Op zich kunnen blogs matig tot sterk getint zijn, bijvoorbeeld in een politieke context, mar het geheel aan blogs geeft wel een evenwicht aan meningen weer.

Let wel op: wanneer we het hier over politiek hebben bevinden we ons op een heel andere domein dan wetenschap, waarin veel vaker pasklare antwoorden bestaan voor problemen. In politieke zin is de blogosfeer dus zeker een goede pool, maar in wetenschappelijke contexten is de situatie anders. Al fluiten sommigen fact checkers in politieke context terug, zoals Ezra Klein van de Washington Post dat een jaar geleden deed. Politieke fact checkers zijn volgens haar vaak een middel waarop partijen terug kunnen vallen om hun gelijk te halen of het ongelijk van een ander te bevestigen.

Verdere dilemma’s

Zoals Schäfer zegt, zullen de bronnen die de journalist aangeeft en de minst herwerkte bronnen van belang zijn in het oordeel van de zogenaamde controleur. Tenzij dat natuurlijk een blog is, die eerste bron. Maar dan komen we terug op een andere post, waarin we ruwweg stelden dat we moesten opletten met de informatie in blogs. Met andere woorden, een vicieuze cirkel.

Een algemene bedenking voor ons journalisten: moeten we misschien allemaal wat meer de rol van fact checker op ons nemen, net zoals we op reportages vaker de rol van een klassieke cameraman en klankman op ons nemen?  Mensen als Alec MacGillis vinden alvast van wel, omdat het verificatieproces in handen ligt van een beperkte groep, die al eens compleet de bal mis slaagt. Andere stemmen steunen dan weer dit proces. Enerzijds kunnen fact checkers een steunende rol aannemen in plaats van een vervangende, anderzijds willen mensen zonder een rol in belangengroepen de waarheid te weten komen. Kortom, we kunnen er misschien best voor zorgen dat we feiten genoeg checken. Maar ook dat we vertrouwen hebben in wie ons helpt en, belangrijker nog, onszelf. Een kritische geest blijft dus van belang.

Bronnen

Alles is relatief, ook de waarheid

Zijn nieuwe media een betrouwbare bron voor journalisten? Het is een vraag die liefhebbers ervan tot nadenken kan zetten. Bij mezelf kwam deze vraag onlangs boven toen een figuur uit mijn favoriete sport stierf: Sid Watkins. Voor wie geen idee heeft wie Sid Watkins is, volgt hier een inleiding:

Sid Watkins was een Britse neurochirurg die van 1978 tot 2004 actief was als hoofd van de medische staf in de Formule 1. In die functie redde hij meermaals het leven van piloten in benarde situaties. Watkins was ook de man die tevergeefs Ayrton Senna aanspoorde om uit de Formule 1 te stappen. Nadat collega Roland Ratzenberger het leven verloren had in een crash, wachtte Senna zelf de dag erna hetzelfde lot. Ook na 2004 zette hij zich in voor de veiligheid in de sport door samen te blijven werken met de internationale autosportbond FIA. Watkins werd om zijn goedlachse karakter en zijn betrokkenheid erg gerespecteerd in de Formule 1-wereld, zelfs nadat hij op pensioen ging. Hij stierf op 12 september 2012 op 84-jarige leeftijd aan een hartaanval.

De dood van Sid Watkins werd niet eerst op officiële nieuwssites aangekondigd, zoals je misschien zou verwachten. Het nieuws werd daarentegen eerst op Twitter aangekondigd en opgepikt door andere Twittergebruikers en blogs. Pas meer dan een uur nadien vermeldden gespecialiseerde sites het nieuws, al hielden deze een slag rond de arm en vermeldden ze dat er later meer details volgden. Uiteindelijk bleek de tweet te kloppen en pikten ook officiële nieuwssites het nieuws op.

Stel nu dat een journalist zich op een van de blogs had gebaseerd die het nieuws had overgenomen en het verhaal was fout, had dit een schokgolf kunnen veroorzaken. Staan bloggers dan te sterk in hun schoenen en proberen ze op elke mogelijke manier lezers te lokken? Ik bekijk de situatie voor blogs, omdat dit medium eenvoudiger opgezocht en geïndexeerd kan worden dan Twitter. Het volstaat om te vermelden dat de originele tweet over Watkins’ overlijden haast onmogelijk terug te vinden is.

Hebben bloggers de waarheid in pacht?

Bloggers zijn alvast overtuigd van hun kwaliteiten om nieuws over de wereld te verspreiden. Zowel Thomas J. Johnson en Barbara K. Kaye als Hong Ji en Michael Sheehy onderzochten deze stelling en kwamen tot de conclusie dat steeds meer bloggers zichzelf als journalist beschouwen. Hierbij kan je wel een onderscheid maken tussen volwaardige journalistiek en een aanverwante vorm. Ji en Sheehy stelden vast dat het percentage bloggers dat bloggen een volwaardige vorm van journalistiek noemde tussen 2006 en 2008 steeg van 16,7 procent naar 44,8 procent. Wanneer de onderzoekers ook rekening hielden met bloggers die vonden dat bloggen geen journalistiek was, maar wel een verwante vorm of een aanvulling aan journalistiek, steeg het percentage van 66,7 procent naar 76,2 procent.

Of bloggers daarom ook de waarheid vertellen, is een andere vraag. Johnson en Kaye wezen er in hun onderzoek op dat blogs net als de eerste nieuwswebsites door iedereen opgestart kunnen worden. Niemand moet de verantwoordelijkheid opnemen voor de inhoud op een blog, die zelfs anoniem gepubliceerd kan worden. Daarenboven moeten bloggers zich evenmin aan journalistieke waarden houden, iets wat journalisten zich moeilijk kunnen veroorloven tegenover hun werkgevers.

De inhoud van blogs is daarenboven niet altijd even correct als buitenstaanders denken, ondervond onder meer Angela Phillips in haar onderzoek over de transparantie van blogs en journalistiek. Sommige bloggers publiceren volgens haar geruchten zonder dat ze zeker weten of deze geruchten elders bevestigd zijn. Ze beschouwen waarheid eerder als een waarde die zich automatisch ontwikkelt, of zoals Phillips het noemde, a truth in progress. Volgens hem wachten zulke bloggers op reacties van lezers om zo te weten te komen of de inhoud in hun blogpost waar is. Je kunt de betrouwbaarheid van zulke blogs dus betwisten omdat je als bezoeker niet altijd na kunnen gaan waar de ongeverifieerde informatie vandaan komt. Dat geldt niet alleen voor mensen met (spontane) interesse, maar ook voor journalisten. Laat het net journalisten zijn die nood hebben aan betrouwbare en geverifieerde informatie.

Opletten blijft de boodschap

Blogs mogen dan nog een verrijking voor de media lijken, ze blijven soms een vergiftigd geschenk. In het voorbeeld dat in het begin van dit artikel aangehaald werd, bleek het nieuws te kloppen, maar er zijn ook voorbeelden waarin het foute nieuws gevolgen heeft. Zo was computerbedrijf Apple in oktober 2008 twee keer het slachtoffer van een blogpost met foute inhoud. In het eerste geval schreef iemand dat Apple een laptop uitbracht voor minder dan 800 dollar – een koopje, zal de Applekenner meteen denken. De New York Times schreven hier een artikel rond en de aandelen van Apple gingen van hoog (“Zo’n goedkope laptop?“) naar laag (“Wat een leugen!“). In het tweede geval schreef een andere blogger dat Steve Jobs een hartaanval gekregen heeft. Toen dit verhaal op de website van CNN verscheen, kregen enkele aandeelhouders het benauwd en verkochten ze hun aandelen. Tot bleek dat dit bericht fout was en de koers zich terug stabiliseerde.

Maar stellen we ons de vraag of een blog betrouwbaar is? Barrie Gunter, Vincent Campbell, Maria Touri en Rachel Gibson kwamen tot de bedenking dat die vraag niet altijd even prominent is. Mensen willen sneller van een grote en invloedrijke blog weten of ze betrouwbaar is dan van een blog die weinig succes kent. Zij vermoedden ook dat de gepercipieerde betrouwbaarheid van blogs vaak samenhangt met die van het internet als medium. Phillips vindt dat het antwoord op de vraag samenhangt met waarden die bloggers onderscheiden van professionele journalisten. Bronvermelding en transparantheid zijn de belangrijkste waarden daarvan. Als je geen bronnen bij een artikel vindt, heb je geen idee waar de informatie echt vandaan komt. Phillips geeft meteen toe dat het voor grote mediaconcerns makkelijker is om bronnen te verifiëren, dankzij hun grotere personeelsbestand. Toch is volgens haar de verhouding niet zo wit-zwart, omdat mediabedrijven tegelijk onder tijds- en gelddruk staan, wat de ethische normen ondermijnt.

Bloggers zien zich dus wel vaak als journalist, maar hun werkwijze is daarom niet altijd even journalistiek correct. De bewijzen dat foute informatie soms gevolgen op andere domeinen kunnen hebben, maken duidelijk dat iedereen die op zoek is naar informatie waakzaam moet blijven. Waakzaam voor elke bron, hoe betrouwbaar ze ook lijkt. Een gewaarschuwd mens is er twee waard, dus kijk volgende keer na als je informatie van een blog wilt gebruiken.

Nog een nuttige – maar misschien ook grappige – tip: als je naar reliable blogs zoekt, let dan extra op. Voor je het weet, gaat je zoekresultaat over de betrouwbaarheid van de servers …

Bronnen

  • Benson, A. (2012, 13 september). Sid Watkins: F1 safety and medical pioneer dies aged 84. Geraadpleegd op 23 november 2012 via http://www.bbc.co.uk/sport/0/motorsport/19578977
  • Gunter, B., Campbell, V., Touri, M., & Gibson, R. (2009). Blogs, news and credibility. Aslib Proceedings61(2), 185-204.
  • Ji, H., & Sheehy, M. (2010). Growing number of bloggers see their work as journalism. Newspaper Research Journal, 31(4), 38-47. Geraadpleegd via http://web.ebscohost.com
  • Johnson, T. J., & Kaye, B. K. (2004). Wag the blog: How reliance on traditional media and the internet influence credibility perceptions of weblogs among blog users. Journalism & Mass Communication Quarterly81(3), 622-642. Geraadpleegd via http://web.ebscohost.com
  • Panthaky, N. (2008, 3 november). How Credible Are Blogs? Geraadpleegd op 24 november 2012 via http://news.accuracast.com/blogs-7471/how-credible-are-blogs
  • Phillips, A. (2010). Transparency and the new ethics of journalism. Journalism Practice, 4(3), 373-382. doi:10.1080/17512781003642972

Journalisten en nieuwe media: een gelukkig huwelijk?

Over het nut van nieuwe media zijn al vele tongen aan het rollen geraakt. Aan de ene kant heb je de adepten die nieuwe media zo revolutionair vinden dat ze niet meer zonder kunnen, daarnaast heb je mensen die wantrouwig staan tegenover nieuwe media en hun invloed op de maatschappij. Je kunt je de vraag stellen welke van deze twee bewegingen gelijk zal krijgen in de toekomst. De waarheid ligt echter waarschijnlijk ergens tussen de twee extremen van het spectrum: we moeten nieuwe media niet afschrijven, maar we moeten ze evenmin blindelings vertrouwen. Net zoals we ook over de ganse wereld rondom ons kritisch moeten zijn.

Een interessante vraag in dit kader is wat journalisten zelf vinden van nieuwe media. Zouden ze de voordelen van online media inzien en daarom besluiten dat het internet eerder een meerwaarde vormt voor journalisten dan een bedreiging voor hun vak? Uit verschillende onderzoeken blijkt alvast van wel.

In de periode 2005-2006 ondervraagden de Ier John O’Sullivan en de Fin Ari Heinonen journalisten uit elf Europese landen en stelden ze vast dat de relatie tussen journalisten en nieuwe media dubbel, maar voornamelijk positief en aanvullend is. Enerzijds erkende 79 procent van de journalisten dat het internet ervoor zorgt dat ze meer bronnen kunnen raadplegen. 58 procent erkende dat het dankzij het internet eenvoudiger was om informatie te dubbelchecken op correctheid. Anderzijds beweerde iets meer dan de helft (56 procent) van de journalisten dat ze door het internet vaker met onbetrouwbare informatie te maken krijgen.

Toch gaan niet alle journalisten meteen aan de alarmbel luiden door de komst van nieuwe media. In het onderzoek van O’Sullivan en Heinonen vond 54 procent dat het internet geen bedreiging vormde voor de journalistiek, terwijl 23 procent dat net wel vond. David Pritchard en Marc-François Bernier kwamen tot een gelijkaardige conclusie bij journalisten in het Canadese Québec. Zowel in 1996 als in 2007 stonden journalisten voornamelijk positief tegenover nieuwe media. In 2007 sprak 78 procent van de ondervraagden zich positief uit over het internet en andere nieuwe technologieën, waarvan 26 procent uitgesproken positief. Negen procent toonde echter argwaan. Het paradoxale aan die negen procent was dat in 1996 amper vier procent een negatief beeld had over nieuwe media.

De houding tegenover nieuwe media maakt het voor mediabedrijven makkelijker deze een plaats te geven in hun aanbod. Dat de relatie tussen print en online zich aan het doorzetten is, valt namelijk moeilijk tegen te spreken. In 2011 voerde Rodica Melinda Şuţu onderzoek dat zich vooral toespitste op de diverse Roemeense media, maar ook een overzicht schetste van de situatie elders. Ze kwam ze tot de conclusie dat overal ter wereld mediabedrijven naar een multimediaconcept toegroeien, waarin print en online (maar ook audio en video) onder een dak toegepast worden. In Latijns-Amerika startte deze trend al in 2001, maar later dat decennium was dezelfde evolutie merkbaar in andere werelddelen. In Europa waren The Financial Times, The Guardian de BBC en het Spaanse Marca enkele van de toonaanzettende namen. Şuţu gaf journalisten de raad zich open op te stellen tegenover een onophoudelijk evoluerende mediawereld en zich bewust te zijn van de specifieke verschillen tussen de bestaande mediavormen. Zij die proberen zoveel mogelijk verschillende mediavormen te beheersen, zullen daar volgens Şuţu in de toekomst voordeel uit putten.

Toch hebben bepaalde journalisten nog steeds een klassiek beeld over printmedia. In het onderzoek van O’Sullivan en Heinonen ging 63 procent akkoord met de stelling dat printmedia betrouwbaarder zijn dan online media. Negentien procent beweerde dan weer net dat online media beter scoren op betrouwbaarheid dan traditionele geschreven media. Deze cijfers liepen bij de journalisten in de printmedia op tot 73 procent ‘akkoord’ en 10 procent ‘niet akkoord’. Dit wijst er volgens O’Sullivan en Heinonen op dat de printmedia meer aanzien hebben op het gebied van betrouwbaarheid.

Met andere woorden is internet een onoverkomelijk, maar onontbeerlijk medium in de journalistieke wereld geworden. Er zijn inderdaad meer bronnen en als gevolg meer onbetrouwbare bronnen beschikbaar, maar het is de taak van journalisten kritisch te blijven tegenover elke bron die ze raadplegen. De opkomst van online media verandert dus – gelukkig – niets aan de manier waarop journalisten met bronnen moeten omgaan. Daarenboven lijken journalisten doorgaans goed met vernieuwing om te gaan. Dat is een goede zaak, want journalisten die hun best doen om ontwikkelingen in hun wereld te begrijpen, kunnen daar op termijn voordeel uit halen. Toch blijven kranten een goed imago met zich meedragen als betrouwbaar medium. Maar zolang verschillende mediavormen in harmonie met elkaar kunnen leven, is een verschil in betrouwbaarheid zo slecht nog niet  zolang alle media voldoende betrouwbaar zijn en blijven. Journalistiek zou namelijk geen journalistiek zijn als de meerderheid van de bevolking er geen vertrouwen in had.

Bronnen

  • O’Sullivan, J., & Heinonen, A. (2008). Old values, new media. Journalism Practice, 2(3), 357-371. doi:10.1080/17512780802281081
  • Pritchard, D., & Bernier, M. (2010). Media Convergence and Changes in Québec Journalists’ Professional Values. Canadian Journal Of Communication35(4), 595-607.
  • Şuţu, R. (2011). Convergence, the New Way of Doing Journalism. Romanian Journal Of Journalism & Communication / Revista Romana De Jurnalism Si Comunicare- RRJC6(1), 48-53.