De digitale kloof: kunnen en moeten we er iets aan doen?

De digitale kloof, ook bekend als ‘the digital divide’, is een fenomeen dat verschillende betekenissen heeft. Je kan het bijvoorbeeld zien als de tegenstelling tussen mensen met en zonder internet, of die tussen mensen die wel een computer gebruiken en zij die dat niet doen. Anderzijds is een binaire opdeling van de bevolking niet altijd mogelijk. De Brit Neil Selwyn verwees bijvoorbeeld in een van zijn publicaties naar mensen die wel toegang hebben tot het internet, maar er geen gebruik van kunnen maken. Enerzijds hebben zulke mensen de technologieën binnen bereik en willen ze deze gebruiken, anderzijds gebruiken ze de technologieën niet altijd ‘even goed’. Dit om aan te tonen dat de de definitie van deze kloof al een discussie op zich waard is.

De vraag die we ons als medialiefhebbers ook kunnen – en moeten – stellen, is of technologie een objectieve noodzaak voor iedereen is of een hulpmiddel om je leven op je eigen manier te leven – en in die zin een persoonlijke keuze. Ook al lijken we gevangen in een stroom waarin het normaal wordt dat de wereld digitaliseert, toch zijn er mensen die ver van deze evolutie weg staan en daar geen probleem mee hebben. De vraag is dan hoe we deze ‘kloof’ aan moeten pakken.

Complexe kwestie

Eerst kijken we naar mogelijke oorzaken van de digitale kloof. Als er een kloof is, hoe ontstaat deze dan? De Nederlander Jan A.G.M. van Dijk somde in 2005 factoren op die het gebruik van digitale platformen (waaronder digitale media) kunnen beïnvloeden, zowel in positieve als negatieve zin:

  • tijd (voor verschillende activiteiten in je leven);
  • bezittingen (niet alleen ICT-benodigdheden en -diensten, maar ook bijvoorbeeld geld);
  • vaardigheden en kennis (niet alleen ICT-vaardigheden en -kennis, maar ook bijvoorbeeld sociale intelligentie);
  • netwerken en relaties waar je deel van uitmaakt (thuis, op het werk, in andere groepen);
  • culturele bagage (waaronder diploma’s).

Lina Van Aerschot van de universiteit van Tampere, Finland, en Niki Rodousakis van het ICCR (Interdisciplinary Centre for Comparative Research in the Social Sciences) in Wenen, Oostenrijk, onderzochten rond de jaarwisseling 2006-2007 de link tussen socio-economische achtergrond en internetgebruik. Volgens hen waren de leeftijd, scholingsgraad en (belangrijkste) job de belangrijkste factoren die beïnvloeden of iemand al dan niet vertrouwd is met het internet. 65 procent van de ondervraagden beweerde het internet niet nodig te hebben, terwijl amper 39 procent internet te duur vond. De inkomensgraad heeft dus ook degelijk invloed op de digitale positie van een persoon, maar minder dan zelfs de onderzoekers zelf verwacht hadden. Dat is inderdaad een opvallende conclusie in die zin dat je verwacht dat de kostprijs van alle technologieën voor mensen met een lager inkomen een drempel is. In dit tijdperk zijn het trouwens niet alleen computers, maar ook smartphones en tablets die toegang bieden tot de digitale wereld.

De algemene conclusie van Van Aerschot en Rodousakis is echter een combinatie van geld en motivatie: mensen uit een socio-economisch lagere groep die het internet niet gebruikten, zouden ook de motivatie niet hebben om zich te ‘bekeren’ tot de digitale wereld. Het gaat dus niet om mensen die zoveel geld hebben dat ze zich alles kunnen permitteren, al is daarmee niet gezegd dat deze mensen helemaal geen geld hebben om internettoegang te betalen. Van Aerschot en Rodousakis onderscheiden elders in hun onderzoek het gebrek aan:

  • motivatie en interesse;
  • vaardigheden en kennis;
  • financiële middelen;
  • bewustmaking over het bestaan van e-services en de mogelijkheden van het internet.

Merk op hoe in dit onderzoek de nadruk gedeeltelijk op de mogelijkheid ligt om de digitale en niet-digitale wereld met elkaar te vergelijken. In het onderzoek van van Dijk werd dit niet vermeld, maar werd wel aandacht besteed aan de aanwezigheid in het sociale leven en de culturele achtergrond van een persoon. De nuance van Van Aerschot en Rodousakis is echter niet helemaal van toepassing op de nieuwe media. Het kan namelijk niet moeilijk zijn om het bestaan van e-media te promoten; ouderen zullen bijvoorbeeld wel beseffen dat kranten ook online te lezen zijn en artikels op websites nog vaak gratis zijn. Specifiek voor oudere generaties zijn net de andere factoren een ‘onoverkomelijke’ drempel: ze weten niet hoe ze nieuwe media kunnen bereiken en/of ze vragen zich af waarom ze dat moeten. Er zijn trouwens toch nog oude media en die kennen ze zo goed.

Probleem of geen probleem: dat is de vraag

Je kan het probleem van de digitale kloof vanuit twee verschillende invalshoeken bekijken. De eerste daarvan is om de aangevoelde achterstand weg te werken. Van Aerschot en Rodousakis pleitten bijvoorbeeld doeltreffendere maatregelen om de digitale wereld bekender en toegankelijker te maken. Mensen uit de socio-economisch lagere groepen moeten gesubsidieerde of gratis oefensessies kunnen volgen. Daarnaast dachten de onderzoekers ook aan informatiecampagnes, subsidies voor internetgebruik en derden die bijstand leveren.

Een voorbeeld van zulke initiatieven op eigen bodem is Start2Surf, een project waarmee de federale overheid in 2009-2010 het computer- en internetgebruik bij de Belgische burger probeerde te verhogen. Er bestonden vier interessant geprijsde computerpakketten: met een nettop, een desktop, een netbook en een laptop. Elk basispakket bestond uit een pc, kantoor- en beveiligingssoftware, een breedbandinternetabonnement van een jaar, een computer- en internetopleiding en een kaartlezer. Momenteel bestaat van dit project alleen nog de tak Start2Surf PC Bonus. In dit project kunnen werkgevers hun werknemers met een bescheiden inkomen stimuleren een computerpakket te kopen door (deels) tussen te komen in de kosten. Het bedrag dat de werkgever betaalt – maximaal 760 euro (inclusief btw) – is voor de werknemer fiscaal vrijgesteld.

Anderzijds moeten we nogmaals verwijzen naar het gebrek aan motivatie bij niet-gebruikers. Kunnen we mensen verplichten om in sterke mate digitaal te leven? Selwyn vindt het alvast een beter idee om de kwestie aan de wortels aan te pakken: niet op maatschappelijk vlak, maar bij de individuën zelf. Hij beschouwt het als een persoonlijke keuze dat bepaalde mensen geen computer gebruiken. Zulke personen hebben vaak iemand anders die hen helpt wanneer ze het internet nodig hebben of nuttig vinden. Dat betekent dat ze die ‘tussenpersoon’ gebruiken om hun leven te leiden en niet het internet op zich.

Het is gevaarlijk om appelen met peren te vergelijken, maar mensen verplichten om op de digitale sneltrein te stappen lijkt hetzelfde als werknemers verplichten om met een bepaald vervoermiddel naar hun werk te gaan. De digitale kloof is er dan misschien wel, maar dat hoeft geen bron voor stigma’s of neerkijkend gedrag te zijn. Sommigen willen het nu eenmaal zo en zien het nut niet in om hun hele leven digitaal te leven. En dat is misschien ook een goed standpunt voor mediabedrijven: promoot digitale versies en platforms gerust, maar denk eraan dat een aanzienlijke groep deze (nog) niet gebruikt. Je kan bijvoorbeeld als krantenbedrijf zowel digitale als papieren versies aanbieden, om beide doelgroepen eenvoudig te blijven bereiken. Hoe je dat doeltreffend doet, en dan denk ik vooral aan het financiële plaatje, dat is misschien wel het thema’s van een van de volgende blogposts.

Bronnen

  • Selwyn, N. (2006). Digital division or digital decision? A study of non-users and low users of computers. Poetics, 34 (4/5), 273-292.
  • Van Aerschot, L., & Rodousakis, N. (2008). The link between socio-economic background and Internet use: barriers faced by low socio-economic status groups and possible solutions. Innovation: The European Journal Of Social Sciences,21(4), 317-351. doi:10.1080/13511610802576927
  • van Dijk, J. (2005). The Deepening Divide: Inequality in the Information Society. London: Sage
  • http://www.fedict.belgium.be/nl/over_fedict/realisaties/Start2Surf.jsp
Advertenties

Woelige week in de printwereld – The Guardian en Newsweek

Op twee dagen tijd kwamen twee Engelstalige printmedia in het nieuws met plannen om de drukpersen te stoppen. Online nieuws de toekomst? Voor het ene medium een voorbarig gerucht, voor het andere de simpele waarheid. Toch moeten we nog niet meteen vrezen dat alle kranten op sterven liggen.

Eerst niet, dan weer wel

Gisteren verscheen het gerucht dat The Guardian eraan zou denken de printeditie van het dagblad stop te zetten. Het Britse dagblad zou zo het jarenlange inkomstenverlies van de krant een halt willen toeroepen. De hoofdredacteur van The Guardian probeerde dezelfde dag nog het gerucht te ontkrachten. Alan Rusbridger liet op Twitter weten dat het verhaal gebaseerd was op een ander gerucht, dat volgens hem trouwens evenmin correct was. Rusbridger zou echter een van de weinigen zijn die door wil gaan met de gedrukte versie van de populaire krant.

Toch was het verhaal over The Guardian niet helemaal ongegrond. De fysieke krant is niet altijd winstgevend, zo bewijst onder andere de Guardian Media Group zelf. De groep, die zowel The Guardian als zusterkrant The Observer omvat, boekte vorig jaar een verlies van 44,2 miljoen Britse pond. Een verlies van ongeveer 55 miljoen euro, dat valt moeilijk te weerleggen.

In De Morgen konden we vandaag dan weer lezen dat het Amerikaanse weekblad Newsweek vanaf volgend jaar niet meer gedrukt zal verschijnen. De dalende verkoop speelt het magazine parten, met een dieptepunt in 2010, toen de verkoop zelfs met 31,6 procent daalde. Op 31 december zal de laatste papieren versie verschijnen, daarna zal Newsweek enkel digitaal beschikbaar zijn als Newsweek Global. Dit e-magazine zal je op internet en via e-readers of tablets kunnen lezen, weliswaar tegen betaling.

Papieren media zonder toekomst?

De Spanjaard Javier Díaz-Noci gaf in 2010 zijn kijk op online media en had het over het aangekondigde einde van de printmedia. Hij wees op een studie van Martin Langeveld waaruit bleek dat lezers vier keer meer tijd nodig hadden om een pepieren krant te lezen dan een online krant. Bovendien bereikt een online krant volgens Langeveld een publiek dat zeven keer groter is dan dat van een papieren krant. Díaz-Noci concludeert in zijn studie ook dat nieuwe technologieën een invloed zullen hebben op de levensduur van de krant. Als iPads, tablets en aanverwante technologieën alomtegenwoordig aanwezig zjn in onze maatschappij, zal dit het einde betekenen van de krant zoals wij ze oorspronkelijk hebben gekend.

Toch stelt het Angelsaksische weekblad The Week zich vandaag de vraag of de papieren krant geen ideaal adverteermiddel blijft, als denkoefening over het nieuws over The Guardian en Newsweek. Er zijn namelijk ook positieve verhalen over kranten te vertellen. Zo zorgen de papieren versies van The Guardian en The Observer samen voor ongeveer drie vierde van de inkomsten van de Guardian Media Group. Daarenboven is een fysiek product nog steeds een handige tool om een merknaam te verstevigen. Iets wat je in je handen hebt, daar heb je meer voeling mee.

We zullen dus nog niet onmiddellijk zonder krant naar ons werk rijden of sporen. De krant is dan niet meer zo onoverkomelijk als vroeger, maar mediadiversiteit kan ervoor zorgen dat meer mensen media blijven volgen. Ze kunnen zich blijven informeren via hun favoriete medium en kunnen zo hopelijk meepraten over de echte problemen in deze wereld. Nadruk op hopelijk.

Bronnen

Journalisten en nieuwe media: een gelukkig huwelijk?

Over het nut van nieuwe media zijn al vele tongen aan het rollen geraakt. Aan de ene kant heb je de adepten die nieuwe media zo revolutionair vinden dat ze niet meer zonder kunnen, daarnaast heb je mensen die wantrouwig staan tegenover nieuwe media en hun invloed op de maatschappij. Je kunt je de vraag stellen welke van deze twee bewegingen gelijk zal krijgen in de toekomst. De waarheid ligt echter waarschijnlijk ergens tussen de twee extremen van het spectrum: we moeten nieuwe media niet afschrijven, maar we moeten ze evenmin blindelings vertrouwen. Net zoals we ook over de ganse wereld rondom ons kritisch moeten zijn.

Een interessante vraag in dit kader is wat journalisten zelf vinden van nieuwe media. Zouden ze de voordelen van online media inzien en daarom besluiten dat het internet eerder een meerwaarde vormt voor journalisten dan een bedreiging voor hun vak? Uit verschillende onderzoeken blijkt alvast van wel.

In de periode 2005-2006 ondervraagden de Ier John O’Sullivan en de Fin Ari Heinonen journalisten uit elf Europese landen en stelden ze vast dat de relatie tussen journalisten en nieuwe media dubbel, maar voornamelijk positief en aanvullend is. Enerzijds erkende 79 procent van de journalisten dat het internet ervoor zorgt dat ze meer bronnen kunnen raadplegen. 58 procent erkende dat het dankzij het internet eenvoudiger was om informatie te dubbelchecken op correctheid. Anderzijds beweerde iets meer dan de helft (56 procent) van de journalisten dat ze door het internet vaker met onbetrouwbare informatie te maken krijgen.

Toch gaan niet alle journalisten meteen aan de alarmbel luiden door de komst van nieuwe media. In het onderzoek van O’Sullivan en Heinonen vond 54 procent dat het internet geen bedreiging vormde voor de journalistiek, terwijl 23 procent dat net wel vond. David Pritchard en Marc-François Bernier kwamen tot een gelijkaardige conclusie bij journalisten in het Canadese Québec. Zowel in 1996 als in 2007 stonden journalisten voornamelijk positief tegenover nieuwe media. In 2007 sprak 78 procent van de ondervraagden zich positief uit over het internet en andere nieuwe technologieën, waarvan 26 procent uitgesproken positief. Negen procent toonde echter argwaan. Het paradoxale aan die negen procent was dat in 1996 amper vier procent een negatief beeld had over nieuwe media.

De houding tegenover nieuwe media maakt het voor mediabedrijven makkelijker deze een plaats te geven in hun aanbod. Dat de relatie tussen print en online zich aan het doorzetten is, valt namelijk moeilijk tegen te spreken. In 2011 voerde Rodica Melinda Şuţu onderzoek dat zich vooral toespitste op de diverse Roemeense media, maar ook een overzicht schetste van de situatie elders. Ze kwam ze tot de conclusie dat overal ter wereld mediabedrijven naar een multimediaconcept toegroeien, waarin print en online (maar ook audio en video) onder een dak toegepast worden. In Latijns-Amerika startte deze trend al in 2001, maar later dat decennium was dezelfde evolutie merkbaar in andere werelddelen. In Europa waren The Financial Times, The Guardian de BBC en het Spaanse Marca enkele van de toonaanzettende namen. Şuţu gaf journalisten de raad zich open op te stellen tegenover een onophoudelijk evoluerende mediawereld en zich bewust te zijn van de specifieke verschillen tussen de bestaande mediavormen. Zij die proberen zoveel mogelijk verschillende mediavormen te beheersen, zullen daar volgens Şuţu in de toekomst voordeel uit putten.

Toch hebben bepaalde journalisten nog steeds een klassiek beeld over printmedia. In het onderzoek van O’Sullivan en Heinonen ging 63 procent akkoord met de stelling dat printmedia betrouwbaarder zijn dan online media. Negentien procent beweerde dan weer net dat online media beter scoren op betrouwbaarheid dan traditionele geschreven media. Deze cijfers liepen bij de journalisten in de printmedia op tot 73 procent ‘akkoord’ en 10 procent ‘niet akkoord’. Dit wijst er volgens O’Sullivan en Heinonen op dat de printmedia meer aanzien hebben op het gebied van betrouwbaarheid.

Met andere woorden is internet een onoverkomelijk, maar onontbeerlijk medium in de journalistieke wereld geworden. Er zijn inderdaad meer bronnen en als gevolg meer onbetrouwbare bronnen beschikbaar, maar het is de taak van journalisten kritisch te blijven tegenover elke bron die ze raadplegen. De opkomst van online media verandert dus – gelukkig – niets aan de manier waarop journalisten met bronnen moeten omgaan. Daarenboven lijken journalisten doorgaans goed met vernieuwing om te gaan. Dat is een goede zaak, want journalisten die hun best doen om ontwikkelingen in hun wereld te begrijpen, kunnen daar op termijn voordeel uit halen. Toch blijven kranten een goed imago met zich meedragen als betrouwbaar medium. Maar zolang verschillende mediavormen in harmonie met elkaar kunnen leven, is een verschil in betrouwbaarheid zo slecht nog niet  zolang alle media voldoende betrouwbaar zijn en blijven. Journalistiek zou namelijk geen journalistiek zijn als de meerderheid van de bevolking er geen vertrouwen in had.

Bronnen

  • O’Sullivan, J., & Heinonen, A. (2008). Old values, new media. Journalism Practice, 2(3), 357-371. doi:10.1080/17512780802281081
  • Pritchard, D., & Bernier, M. (2010). Media Convergence and Changes in Québec Journalists’ Professional Values. Canadian Journal Of Communication35(4), 595-607.
  • Şuţu, R. (2011). Convergence, the New Way of Doing Journalism. Romanian Journal Of Journalism & Communication / Revista Romana De Jurnalism Si Comunicare- RRJC6(1), 48-53.