Round-up


Nieuwe media en mediaconvergentie
. Niet alleen de titel van een mastervak, maar ook woorden om meteen bij na te denken. Die titel klonk misschien als een vreemd beest voor sommigen onder ons. Schaam je niet, ik fronste ook even mijn wenkbrauwen toen ik het jaarprogramma doornam en die titel op zag duiken.

Nieuwe media en mediaconvergentie. Wie had nu ook van mediaconvergentie gehoord, en wat was het dan eigenlijk? Nieuwe media, dat is een andere zaak. Een pc en een gsm of smartphone hebben we tegenwoordig bijna tot gewoon allemaal. Sociale media, daarin zie je nog wat onderscheid. De ene blijft er liever weg, de andere gebruikt ze vooral in pure noodzaak (en als universiteitsstudent kan je noodzaak heel snel aan sociale media koppelen – groepsopdrachten bijvoorbeeld), en nog anderen … hebben er al (te) veel tijd op vertoefd. Reken mij daar maar bij als voormalig Facebookfreak en huidig Twitterambassadeur (dixit HDS) van de lichting journalistiekstudenten aan de HUB.

Zelfbesef, het begin van …

Alle wijsheid? Laten we bescheiden beginnen. Het begon voor mij als een kleine rollercoaster. Eerst denken dat nieuwe media onontbeerlijk zijn voor journalisten, het leek me niet meer dan logisch. En misschien is dat nog altijd geen ‘verkeerde’ instelling. Gewoon, het is handig ermee te kunnen werken. Sommige bedrijven, zoals The Guardian en Newsweek, zien in online nieuws duidelijk de toekomst. Maar daarna heeft de digitale kloof me doen nadenken over de plaats van nieuwe media in de hele maatschappij.

Ook al kom ik niet uit de rijkste kringen – verre van zelfs … -, het lijkt ons in deze tijden zo vanzelfsprekend dat we overal informatie oppikken. Dat we een computer, smartphone en misschien zelfs allerhande iGadgets (iPhone, iPad, …) hebben, is al een geluk op zich, maar dat we ermee kunnen werken is evenmin een evidentie. En waarom zouden we het ouderen verplichten? Volgens mij zit hier de taak van de maatschappij om elkaar hulp te bieden. Mochten nieuwe media zo doordringen dat ze oude media beperken tot een minimum, laten we dan oppassen dat dat minimum niet te beperkt wordt. Iedereen heeft recht op informatie, dus ook ouderen.

Laten we het dan nog niet over de paywall hebben die op til lijkt in het online krantenlandschap en welke gevolgen dat heeft voor de nieuwe media. Onder de noemer “Iedereen heeft recht op informatie” zijn sommigen ertegen dat zelfs basisartikels alleen na betaling/abonnement beschikbaar zouden zijn. Om terug te denken aan het debat over nieuwe media eind oktober aan de KULeuven: zou dat ook niet te fel in de kaart van de openbare omroep spelen? Zij worden reeds door de staat (lees: door ons) betaald en zouden dan de enige gratis gevestigde informatiebron worden? Het kan nog alle kanten uit, maar wat mij betreft mag informatie een basisrecht zijn in die mate dan voedsel en water dat reeds zijn.

Terugkerende termen

Betrouwbaarheid, dat was duidelijk een van de termen die vaak terugkwam in mijn overpeinzingen en blogposts. Zo moeten we als toekomstig journalist oppassen dat we alle bronnen nauwkeurig in het oog houden. Want, vraag jezelf eens af, mogen we alles vertrouwen wat we lezen? De ene keer kan blind vertrouwen leiden tot een scoop, de andere keer tot schaamte.

Zoals in het echte leven: opletten geblazen dus.Check, dubbelcheck, tripelcheck. (Hier een cadeau voor de bierfans onder jullie.) Als journalist ook enigszins een fact checker zijn, het lijkt me uiteindelijk geen slecht idee. En laat Wikipedia niet meteen liggen, maar let op wat je ermee doet.

Verandering, dat was er nog eentje. Omdat onderzoeksjournalistiek een mythe lijkt. Lijkt, hoop ik dan toch, van harte zelfs. Omdat China een afgesloten bastion lijkt. Ja en neen, en ik zou trouwens hopen op verandering. Hoop doet leven, nietwaar? Maar vooral omdat journalisten zich moeten aanpassen aan de veranderende omgeving. Technologieën als wiki’s zijn tegelijk een extra informatiebron als een extra valkuil. Kwestie van voorzichtig te zijn dus, maar dat moet je anders ook.

Hetzelfde kan je stellen van Twitter. In onze klas is het trouwens duidelijk dat de studenten ver over het spectrum verspreid liggen: van ervaringsloos naar op ontdekking tot sterk vertrouwd met het medium. Ik zou het medium, desnoods op een eigen manier, leren omarmen. Bekijk het niet als een speeldoos, maar als een toolbox, een gereedschapskist. We moeten trouwens, met of zonder Twitter, onze netwerken onderhouden, om zo aan nuttige informatie te raken als we een artikel willen maken dat anders is dan een ready-made persbericht. Because being average is too average, het is een levensmotto van me.

En wat met het label ‘journalist’? Een debat over dat label lijkt ver gezocht, maar het staat volgens mij rechtstreeks in verband met de evolutie van nieuwe media. Een goede journalist is volgens mij iemand die de normen respecteert en zich tegelijkertijd kan inleven in de lezers en betrokkenen. Als opleiding, training en bijscholing daarbij helpen, des te beter. Een goed artikel schrijf je trouwens niet voor jezelf, of toch niet in de eerste plaats. Dat doe je voor anderen. Of dat is althans wat ik wil nastreven.

Een opmerking nog. Misschien wilde je hier ook andere dingen lezen, maar in twaalf blogposts kan je niet het hele domein van nieuwe media en mediaconvergentie aan bod laten komen. Voorstellen voor toekomstige artikels zijn nog steeds welkom, ook al is het verplichte nummer bij deze afgesloten.

Ik zeg geen vaarwel, maar tot ziens?

Dit was het dus, althans voor dit jaar. En wat is aangenamer dan een kop koffie, ’s avonds laat, wanneer je bijna moe bent en de dag afrondt om gezellig te slapen? Ja, misschien een kop koffie met een koekje erbij. Maar geloof me, verschillenden onder jullie zullen een voornemen hebben dat met gezondheid te maken heeft. Dus laat dat koekje maar zitten en geniet gewoon van wat je hebt. En voor een keer zonder je vingers aan je toetsenbord of smartphone. 😉

Misschien tot volgend jaar, voor meer inzichten over nieuwe media, maar dan op mijn eigen manier? Ach, laten we die koffie niet koud worden! Laat het smaken!

Onder de loep: nieuwe media en onderzoeksjournalistiek

Onderzoeksjournalistiek: volgens de ene het summum van journalistiek, volgens de andere onrealistisch, om het woord lachwekkend niet in de mond te nemen. Maar is onderoeksjournalistiek dood? En zo neen, hebben sociale media dan een rol in het slagen of falen ervan?

Dit thema kwam niet zo lang geleden nog ter sprake op de Global Investigative Journalism Conference in Kiev, Oekraïne, in 2011. (De volgende editie vindt volgend jaar plaats in Rio de Janeiro, Brazilië.) Zo’n 500 journalisten uit meer dan 50 landen kwamen tot de conclusie dat sociale media een onmisbaar hulpmiddel waren geworden; ondanks de beperkingen van deze technologie. Ook volgens Mark Feldstein is onderzoeksjournalistiek een internationaal verspreid fenomeen geworden. Niet alleen in het relatief veilige Europa en de Verenigde Staten, maar ook in landen als Colombia, met relatief veel corruptie, zoeken journalisten tot op het bot naar de ware feiten. Aan de andere kant is vooral in Afrika onderzoeksjournalistiek niet zo populair. Redenen hiervoor zijn armoede, ongeletterdheid en de druk van bovendien onstabiele regeringen. Daarenboven is reizen in Afrika niet eenvoudig en communicatie, afgezien van internet, evenmin. Landen als Rusland zijn dan weer repressief en staan er zelfs om bekend journalisten te vermoorden om kritische stemmen te dempen.

Kennis is overal

Vadim Lavrusik haalt aan dat lezers meer kunnen weten over een bepaald onderwerp dan journalisten. Sociale media kunnen die kennis tot journalisten laten stromen zonder al te veel kosten op kopzorgen. Ze kunnen zelfs anderen op pad sturen, zoals in dit voorbeeld:

17 vrijwilligers meldden zich aan via Facebook en Twitter (zie afbeelding hierboven) om in 64 winkels na te gaan of condooms openlijk verkocht werden. Dit ‘onderzoek’ toonde aan dat de conservatieve geruchten hierover niet klopten: in maar liefst 63 winkels werden ze openlijk verkocht, de overblijvende winkel verkocht er helemaal geen. Volgens de bezieler van dit onderzoek is het belangrijk om:

  1. enige vorm van plezier aan de taak te koppelen;
  2. de taak discreet en makkelijk te maken;
  3. de ruimere context van de taak uit te leggen;
  4. een redelijke deadline te geven;
  5. een overlap in te bouwen om de informatie te controleren (fact checking);
  6. onmiddellijk te antwoorden op vragen en binnengekomen gegevens, plus vragen om te retweeten om meer deelnemers te vinden;
  7. interesse bij mogelijke lezers op te wekken.

Tweeten om meer info te weten te komen kan dus handig zijn, zeker voor lokale thema’s. Met goede trefwoorden/hashtags en de nodige dosis geluk raak je een heel eind verder.

Daarnaast is het ook belangrijk om transparant te blijven. Door eerlijk en open te zijn in hoe een verhaal tot stand kwam, kan een journalist betrouwbaarheid opbouwen bij de lezers. Dit is zeker het geval bij controversiële en gevoelige onderwerpen. Reageren op lezersreacties is in dat opzicht een slimme zet: je kan jezelf bewijzen en je bouwt tegelijk een band met de lezer op.

De eerste stap zetten

Syed Nazakat is eveneens een voorstander van sociale media als tool voor onderzoeksjournalistiek. Hij geeft journalisten de raad hun vrees voor sociale media te overwinnen. Ze mogen tegelijk niet bang zijn dat door sociale media te benutten ‘de vijand bij hen meekijkt’ en ideeën of informatie stelen voor eigen doeleinden. Nazakat verwijst hiervoor naar David E. Kaplan van het Organized Crime and Corruption Reporting Project (OCCRP), die zegt dat “reporters nooit gevoelige bronnen of verhalen moeten verspreiden als zij vrezen deze te ‘verliezen’ aan anderen”. “Natuurlijk wil je interactie met een publiek. Toch is het (sociale media) een competitieve, riskante en soms gevaarlijke business, en er zijn genoeg redenen waarom onderzoeksjournalisten zorgvuldig moeten nadenken over wat ze online bekend maken over een onderzoek dat ze nog niet afgerond hebben.” (eigen vertaling)

Keerzijde van de medaille

Zijn er alleen voordelen aan sociale media voor onderzoeksjournalistiek? Neen, zo blijkt. Feldstein beweert dat dezelfde technologieën die nu een voordeel blijken te zijn, gebruikt kunnen worden om journalisten te bespioneren en opzettelijk verkeerde informatie te verspreiden. Vooral (online) freelancejournalisten zijn een gevaarlijk doelwit, want zij kunnen niet terugvallen op een mediabedrijf voor financiële of rechterlijke hulp.

Daarenboven is WikiLeaks een medium waarover controverse niet ver te zoeken is. Deze site ontstond in 2006 als verzamelplaats voor erg gevoelige informatie die best niet gepubliceerd zou worden. Volgens A.J. Brown is het medium door de zaak-Assange in vraag gesteld. In welke mate kunnen media vertrouwelijke informatie proberen te verkrijgen en wat mogen ze dan publiceren?

Alles in één?

Voor wie zich toch in het avontuur wil storten, is het ideale medium misschien al binnen handbereik. Lavrusik haalt aan hoe Storify een ideale tool is om sociale ‘content’ te bundelen en van context te verschaffen. Met andere woorden, om er een verhaal van te maken. Storify laat toe eenvoudig inhoud van Twitter, Facebook, Flickr, YouTube, Google, RSS-feeds of URL’s in een “Story” te verwerken. Dat verhaal kan je aanvullen met een headline, een samenvatting en opmerkingen bij de sociale content met bijvoorbeeld meer context.

Conclusie: Al bij al lijkt het niet verstandig om het kind met het badwater weg te gooien, maar eerder de kansen te benutten die sociale media bieden om journalistiek, en dus ook onderzoeksjournalistiek rijker te maken. Er zijn inderdaad gevaarlijke gebieden om in eigen persoon informatie te vergaren, maar ofwel zijn opdrachtgevers respectvol voor wat journalisten niet willen doen, ofwel is er geen probleem en willen journalisten zich blootstellen aan de risico’s van het vak. Voor wie het toch te gevaarlijk is, kunnen sociale media dus een zeer nuttig middel zijn.

Bronnen

  • Brown, A. J. (2011). Weeding out WikiLeaks (and why it won’t work): legislative recognition of public whistleblowing in Australia. Global Media Journal: Australian Edition5(1), 1-11.
  • Feldstein, M. (2012). Muckraking goes global. American Journalism Review34(1), 44-49.
  • Lavrusik, V. (2010, 24 november). How investigative journalism is prospering in the age of social media. Geraadpleegd op 26 december via http://mashable.com/2010/11/24/investigative-journalism-social-web/

  • Nazakat, S. (2012, 15 augustus). Social media and investigative journalism. Geraadpleegd op 26 december via http://www.icij.org/resources/social-media-and-investigative-journalism

Journalistiek in en over China: zorgen nieuwe media voor verandering?

China, het land waarin een vrije mening volgens kwatongen onmogelijk lijkt. Is er echt zoveel aan de hand? We bekijken even in welke mate het internet gebruikt wordt en een voordeel kan opleveren in berichtgeving over China.

Volgens Yu Liu leiden de nieuwe technologieën tot mediaconvergentie, vooral in de online sector. Traditionele journalisten maakten daarentegen minder vaak de overstap naar online berichtgeving. Zelfs voor onderzoeksjournalistiek blijkt het internet nuttig te zijn, beweren Jingrong Tong en Colin Sparks. Maar dan tachtig procent van de onderzoeksartikels in de Southern Metropolitan Daily, een tabloid uit Guangzhou, blijkt fora en burgerjournalistiek als bron te hebben.

Internationale situatie

Rebecca MacKinnon verwijst naar Volkmer (2003) en Castells (2008), die eerder hoopten dat het internet, en de bijbehorende tools om eenvoudig informatie en meningen te verspreiden, verandering zouden brengen. Er zou een Global Public Sphere moeten ontstaan, waarin burgers met elkaar kunnen communiceren over gemeenschappelijke hot topics. Nochtans vermeldt MacKinnon ook dat in de eerste helft van de jaren 2000 in de Amerikaanse blogosfeer minder gelinkt werd naar blogs van ontwikkelingslanden. Hiermee, en met de link naar gesloten blogosferen zoals de Poolse, wil ze aantonen dat er nog werk aan de winkel is, op weg naar een internationaal internet waarin gelijkheid nagestreefd wordt.

Ondanks minder strenge wetgeving en minder bedreigingen tegenover buitenlandse reporters blijven onder meer westerlingen vastzitten in een systeem waarin ze verhinderd worden voluit hun gang te gaan. Het benodigde J-visum (met de J van journalist) is moeilijk te verkrijgen en de regels voor geaccrediteerde journalisten  zijn niet consistent – zelfs willekeurig – opgesteld. Ze moeten daarenboven verschillende bronnen in de gaten houden om op de hoogte te blijven van nieuws in China. Het gaat hier over het officiële agentschap Xinhua, officiële Chinese media, overzeese media, maar ook websites van dissidenten.

Moeilijkheden

Ook al mogen correspondenten alle moeite doen zich te informeren, toch blijft de overheid zich moeilijk opstellen. Desondanks is het internet welkom gebleken als hulpmiddel voor de journalist. CNN verwees al in 2001 naar chatrooms om een beeld te geven van wat Chinezen over een topic dachten. In dit geval ging het over de zwakke reactie van China tegenover de Verenigde Staten in het schandaal over een spionagevliegtuig. In 2003 gebeurde hetzelfde tijdens de SARS-crisis.

Daarenboven gebruiken meer en meer Chinese journalisten blogs om zich kenbaar te maken. Ze doen dit soms onder hun echte naam, soms onder een pseudoniem. Op hun blogs zorgen ze voor gevarieerdere informatie en analyses dan in ‘officiële’ media mogelijk is. Ook academici, rechters, leraars en andere groepen vinden de weg naar de blogosfeer om te communiceren en te informeren. Sterker nog, hebben volgens Rebecca MacKinnon zelfs lokale en nationale overheidslui het internet benut om de communicatie met hun achterban te verbeteren. Voor politieke onderwerpen zijn fora, chatrooms en zogenaamde bulletin boards (prikbordsystemen) dan weer de aangewezen online verzamelplaatsen.

Andere stemmen

Ondanks de ernstige situatie in China blijkt het internet dus wel degelijk een waardevolle bron te zijn. Vooral Tong en Sparks geloven erin dat het internet verhalen naar boven kan brengen die anders niet of niet voldoende behandeld zouden worden. Er zijn echter beperkingen volgens MacKinnon. Om te beginnen kennen weinigen in het westen Chinees, dus missen blogs in het Mandarijn/Kantonees/… hun doel als wereldwijde informatiebron. Toch is zelfs taalvaardigheid in het Engels niet genoeg. Bridge bloggers, die een brug vormen tussen de blogosfeer en media, spelen waakhond over de informatie over China. Zij bepalen welke informatie, opvattingen en ideeën doordringen tot correspondenten over China. Zij vullen de berichten van bloggers aan met context, waardoor de berichten makkelijker op te nemen zijn door anderen.

Het is als Chinees mediabedrijf wel mogelijk om truukjes toe te passen. In oktober 2006 begon de Southern Metropolitan Daily een column, ‘‘Web Eye’’,over populaire onderwerpen op internetfora. Berichten over wat op het web gezegd wordt,  is blijkbaar niet altijd een probleem, want deze combinatie van burgerjournalistiek en traditionele journalistiek ontsnapte aan inmenging van hogerhand. Hier ontsprongen interessante artikels, zoals over de moord op journalist Lan Chengchang en het Xiamen XP-project, over een chemische fabriek die middenin de stad gebouwd zou worden.

Water bij de (rijst)wijn

Komt het dus nog goed met de Chinese media? In een globaliserende wereld zou dit best mogelijk moeten zijn. De vraag is echter wanneer het Chinese regime internetcensuur tot een minimum zal beperken, en daarover liggen de meningen ver uit elkaar. We kunnen echter, als we terugdenken aan het vak Taal en ideologie (in de masteropleiding journalistiek aan de HUB, voor niet-HUB-studenten), beginnen met ons best te doen om neutraal over China te berichten. Presupposities en krachttaal tot een minimum beperken, het gevoel dat we de tegenpartij willen aanvallen beperken. Misschien ligt ook daar een deel van de zoektocht naar harmonie tussen het westen en het oosten: van elkaar weten dat we respect voor elkaar hebben en niet elkaar voor het minste de grond inboren.

Bronnen

  • Liu, Y. (2010). Chinese Journalists’ Use of New Media Technology: Ethical Issues. Conference Papers — International Communication Association, 1.
  • MacKinnon, R. (2008). Blogs and China correspondence: lessons about global information flows. Chinese Journal Of Communication1(2), 242-257. doi:10.1080/17544750802288081
  • Tong, J., & Sparks, C. (2009). Investigative journalism in China today. Journalism Studies10(3), 337-352. doi:10.1080/14616700802650830

De moderne journalist in een kluwen van rollen

Sociale media hebben het journalisten in hun rol van spreekbuis niet eenvoudiger gemaakt. Niet alleen in de kranten en de online versies daarvan, maar ook op sites als Facebook en Twitter kunnen journalisten erg actief zijn. Maar wat zijn de minder positieve kanten van het belang van sociale media voor journalisten?


Onderschat een netwerk niet

In zijn gastcollege aan de HUB vond Frank De Graeve van Quadrant Communications alvast dat er voordelen waren aan sociale media. Volgens hem worden artikels en reportages worden er nu soms zelfs gemaakt, dus niet alleen meer besproken. Je kan hier de basis leggen voor een nieuw artikel of een reportage, onder meer afhankelijk van het onderwerp en de actualiteitswaarde hiervan. In de praktijk gaat het vaak over conversaties met onder meer woordvoerders van bedrijven of politieke partijen. Onderzoek van Joyce Nip wees erop dat bijvoorbeeld ook sport, cultuur en onderwijs domeinen zijn waarin een uitgebouwd netwerk van pas kan komen.

Een netwerk is dus wel degelijk belangrijk. Journalisten moeten in hun vakdomein proberen interessante mensen te vinden. Ze kunnen deze contacten bijvoorbeeld opslaan als een lijst in Twitter, die zelfs een eigen tijdlijn wanneer je de lijst in een Twittercliënt als TweetDeck opent. Als je dan toch iemand vindt voor een dringend gesprek, dan kan je dat meteen ‘en plein public afnemen’ – nog een trend waarin De Graeve gelooft voor de nabije toekomst.

Overdaad aan mysterie schaadt

Gesprekken op sociale media kunnen nuttig zijn; alleen moeten gesprekspartners volgens De Graeve in zulke situaties transparant en open blijven. Hij wijst erop dat de ‘geïnterviewde’ personen al eens dingen moeten vertellen die ze om een bepaalde reden liever (nog) niet kwijt willen. Een goede vraag van een journalist kan daarvoor de reden zijn, of een (on)gelukkige tussenkomst van een andere gebruiker – het is maar hoe je het bekijkt. Wie niet antwoordt op heikele vragen, werkt zichzelf in de problemen. Anderen ruiken dan belangstelling (“Hier klopt iets niet!”) of krijgen een negatief gevoel (“Zeg het nu toch, wat doe je hier anders?”). Volgens De Graeve moeten mensen die sociale media omarmen meteen ook de openheid ervan omarmen en respecteren.

Sterker nog, er is niet alleen de openheid, ook de openbaarheid. Iedereen kijkt mee en kan zich mengen in een gesprek, zeker als dat via openbare tweets gebeurd. Twitter is nu eenmaal een meer openbaar medium dan bijvoorbeeld Facebook en LinkedIn, die werken rond zorgvuldig uitgekozen vriendschappen en netwerken. Een gevolg daarvan is dat zowel journalisten als hun gesprekspartners beter oppassen wat ze zeggen, omdat de minste ongelukkige zet door iemand opgepikt kan worden, waardoor een vuurtje zich snel kan verspreiden …

Zelfreflectie

De Finse Laura Ruusunoska ondervond al eerder in een onderzoek bij drie Finse kranten dat journalisten goed nadenken over wat ze zeggen in het openbaar. Zij wijst op vier hoofdaspecten waarover journalisten nadenken in hun publieke rol: hun eigen werkomgeving, het mediabedrijf waarvoor ze werken, hun publiek en hun beroep. Tegenover nieuwsconsumenten zien journalisten zichzelf als verschillende functies. De ene voelt zich een helper, de andere een moderator, nog anderen dan weer een (mede)werker of zelfs een commercieel verantwoordelijke van zijn of haar werkgever.

Hoe het ook zij, volgens Ruusunoska moeten journalisten zich achter de principes van hun krant kunnen scharen om hun job zo goed mogelijk uit te voeren. Dat komt omdat volgens haar journalisten vaak ergens het gevoel hebben dat ze hun werkgever moeten vertegenwoordigen. Voor freelancers geldt dit natuurlijk niet, maar zij hebben hun imago te verdedigen, als deel van hun personal branding.

Sociale media tegenover eigen sites

De manieren om je op sociale media te laten zien of horen zijn legio. Op blogs, microblogs (bv. Twitter), videoblogs (bv. YouTube), sociaalnetwerksites en zelfs op social-bookmarkingsites en FourSquare kunnen journalisten interessante en zelfs noodzakelijke contacten leggen. Maar waarom zijn net sociale media nuttig voor zulke contacten en om een band met het publiek te scheppen? Waarom niet eigen websites? Omdat op sociale media nu eenmaal een sterk publiek aanwezig is. Daarover zijn velen het eens, waaronder Scott Rosenberg.

Daarentegen vindt Rosenberg dat we ook andere middelen dan pakweg Facebook moeten gebruiken. Hij vraagt zich af of Facebook op termijn geen munt moet slaan uit de grootte van het medium, onder meer onder druk van aandeelhouders. Daarnaast vindt Rosenberg dat journalisten en mediabedrijven met deze trend aantonen dat hun eigen websites falen. Waarom proberen journalisten niet namelijk meer mensen wij die sites te betrekken dan te vertrouwen op sociale media?

Rosenberg heeft het echter nergens over de optie dat een artikel nog geschreven moet worden. De Graeve had het in die context over contacten zoeken, contacteren en gebruiken als bron. Daarvoor lijken sociale media net wel een goed idee, omdat je daar hun accounts vindt. Op eigen websites moet je wachten tot je een reactie van iemand krijgt en kan je zelf ten hoogste een oproep lanceren in de hoop dat die gelezen wordt. Ook al klopt Rosenbergs principe dat PR-verantwoordelijken meer moeten nadenken over de aantrekkingskracht van ‘gewone’ websites, toch blijven sociale media handig. Meer dan een miljard Facebookgebruikers en ongeveer de helft van dat aantal op Twitter, dat zijn markten die je veel potentieel bieden.

Bronnen

  • De Graeve, F. (2012, 18 december). Gastcollege Hogeschool-Universiteit Brussel.
  • King, K. (2008). Journalism as a Conversation. Nieman Reports62(4), 11-13.
  • Nip, J. M. (2006). Exploring the second phase of public journalism. Journalism Studies7(2), 212-236. doi:10.1080/14616700500533528
  • Rosenberg, S. (2012). Why journalists should think twice about Facebook. Geraadpleegd op 26 december 2012 via http://www.wordyard.com/2011/05/03/why-journalists-should-think-twice-about-facebook/
  • Ruusunoksa, L. (2009). Rearticulating the Journalism Profession: Public Journalism and Professional Reflexivity. Conference Papers — International Communication Association, 1-20.

De invloed van wiki’s op journalistiek

Het lijkt op het eerste zich niet de meest ideale link, wiki’s en journalistiek. Wie de voorbije jaren als student papers en werkjes heeft moeten maken, zal weten hoeveel docenten Wikipedia als mogelijke bron afraadden of zelfs verboden. Wiki’s bieden nochtans vele mogelijkheden, van informatiebeheer in bedrijven tot samenwerkingsprojecten in het onderwijs. Maar zijn wiki’s even handig voor journalisten?

Nochtans is een wiki in de realiteit niet altijd even betrouwbaar of even nuttig. De ene pagina kan honderden voetnoten en een dozijn externe links bevatten, terwijl de andere vol schrijffouten staat, om het maar niet over de inhoud van bepaalde pagina’s te hebben. Je vindt op Wikipedia ook zowel gewichtige als niet-nieuwswaardige onderwerpen, van de Arabische Lente tot een overzicht van alle afleveringen van de kinderserie SpongeBob SquarePants.

Er zijn evenwel ook voordelen aan het open karakter van wiki’s. Omdat iedereen ze kan bewerken, kan ook iedereen er fouten uit halen. Daarenboven zijn wiki’s met hun werelds karakter – alvast in theorie – gebalanceerder in (wereld)visie. Dankzij de inbreng van gebruikers uit verschillende werelddelen is het minder waarschijnlijk dat artikelen bijvoorbeeld te occicentristisch worden, met andere woorden te westers getint. Daarenboven werken aan wiki’s vaak meerdere personen, terwijl een blog vaker door een iemand beheerd en bijgehouden wordt. Zeker Wikipedia telt zovele vaste en toevallige gebruikers dat de fouten van iemand anders eenvoudig rechtgezet kunnen worden. Misschien een heikel punt voor artikels over recente ontwikkelingen, maar nuttig om het medium als archief te gebruiken.

Een voorbeeld van de mogelijke waarde van Wikipedia is het Engelstalige artikel over de aanslagen in Mumbai in 2008. Een beknopte samenvatting aan het begin van het artikel, aandacht voor de situatie voor, tijdens en na de aanslagen, maar ook zeer gedetailleerde informatie en – in dit geval – meer dan 200 bronverwijzingen. Daarbij komt nog dat de meeste hoofdstukken hun eigen, uitgebreidere artikel hebben, uitsluitend gewijd aan één deelaspect (overzicht gebeurtenissen, slachtoffers, nasleep enzovoort).

Ook dubbele gevallen zijn mogelijk, zoals de dood van Anna-Nicole Smith in 2007. Wikipedia bleek in deze case de eerste bron te zijn die het model dood verklaarde nadat ze het bewustzijn verloor in een hotel in Florida. Pas later bevestigden Associated Press (AP) en andere persagentschappen het nieuws van haar overlijden. Maar ook al publiceerde Wikipedia het nieuws eerder, toch verdween de sterfdatum even van de site. Volgens Jimmy Wales, medeoprichter van Wikipedia, ligt dat de moderators. Niet alle moderators voelen aan dat een wijziging aan een pagina even correct is. Sommige ervan zullen dus een gerucht of onvoldoende bevestigd feit uit de pagina halen door terug te schakelen naar de vorige versie ervan.

Wiki’s als bron of tool: goed idee of toch niet?

Gebruiken journalisten het effectief? In Amerika alleszins wel. Marcus Messner en Jeff South onderzochten de vermeldingen van Wikipedia bij vijf Amerikaanse kranten gedurende zeven jaar. De periode liep van de oprichtingsdatum van de site, 15 januari 2001, tot en met 31 december 2007.  Wikipedia wordt sinds 2004 meer en meer in artikels verwerkt, al bleek gedurende het hele onderzoek dat Wikipedia meer als fenomeen vermeld werd  (70,3 % over de vijf kranten over zeven jaar) dan als bron (10,8 %). In 18,8 % van de onderzochte gevallen werd Wikipedia gewoon vermeld. De site kwam het vaakst voor in nieuwsartikels (81,3 %), vergeleken met columns (10,3 %), kortnieuws, interview en andere. Ze werd ook eerder vermeld in de bodytekst (87,6 %). Als bron kwam Wikipedia voor in de katernen lifestyle (life section, 34,8 %), economie (17,4 %), belangrijk nieuws (A-section, 14,3 %), columns (6,8 %), lokaal nieuws (2,5 %), sport (1,9 %) en de voorpagina (idem). Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat in de artikels de site steeds vaker positief geframed wordt en vaker vertrouwd dan gewantrouwd wordt.

Ook volgens onderzoekers als de Braziliaan Carlos d’Andreu heeft een wiki een plaats in de journalistiek. Hij benadrukt wel dat journalisten beter in staat zijn een journalistiek hoogstand artikel te schrijven dan een groep vrijwilligers. In dat opzicht kan de journalist wel perfect functioneren als professionele bemiddelaar, wat volgens d’Andreu een van de kernwaarden is van de job, al sinds het beroep als dusdanig gezien wordt. De journalist kan wiki’s dus gebruiken als hulpmiddel, maar de stelling dat wikibewerkers journalisten vervangen, vindt d’Andreu overroepen. Aanvullen en helpen, tot daaraan toe, maar niet wegdrummen.

Het zou goed zijn voor sites als Wikipedia dat ze zich kunnen blijven ontwikkelen. Kritische stemmen zien in wiki’s graag de waarheid en dus geen speculaties die er als feiten uitzien. Daarnaast vinden ze meer (lees: overal waar nodig) bronvermeldingen altijd welkom. En als het kan, mag de schrijfstijl nog wat consistenter. Zo zou Wikipedia nog meer de richting van encyclopedieën als Encarta en Britannica opgaan: naslagwerken met veel trefwoorden en inhoud, interne en externe links, maar ook met betrouwbaarheid. Daar schort het nog altijd: Wikipedia lijkt nog vaak een nuttig medium om een begrip te leren ontdekken, maar niet om over datzelfde begrip te berichten. Ook is het een medium dat “vaak” nauwkeurig is, in plaats van “altijd” of “op een uitzondering na”. Dat oordeel kan veranderen als de medewerkers en gebruikers hun best doen het medium transparant te houden.

Maar laten we ook het volgende onthouden: geen enkele nieuwsbron is heilig. De ene bron is betrouwbaarder dan de andere, maar daarom niet absoluut onbetwistbaar, nu niet en later evenmin. Wikipedia als enige bron gebruiken zal dus riskant blijven, net als dat voor andere bronnen het geval is.

Bronnen

  • d’Andréa, C. (2009). Collaboration, editing, transparency: challenges and possibilities of a “wikification” of journalism. Brazilian Journalism Research, 5(1), 22-37.
  • How Wikipedia Breaks News, and Adjusts to It. (2007, 9 februari). Geraadpleegd op 8 december via http://www.npr.org/templates/story/story.php?storyId=7320255
  • How does Wikipedia measure up?. (2008). Quill96(9), 16-19.
  • In Wikipedia we trust… almost. (2011). Conference Papers — International Communication Association, 1-29.
  • Melanson, M. (2010, 14 maart). Why Wikipedia Should Be Trusted As A Breaking News Source. Geraadpleegd op 8 december via http://readwrite.com/2010/03/14/why_wikipedia_should_be_trusted_or_how_to_consume
  • Messner, M., & South, J. (2011). Legitimizing Wikipedia. Journalism Practice5(2), 145-160. doi:10.1080/17512786.2010.506060
  • Shaw, D. (2008). Wikipedia in the newsroom. American Journalism Review30(1), 40-45.

Fact checking: zo logisch als het lijkt?

Fact checking is een fenomeen dat in Europa misschien niet zo bekend is, maar in de Verenigde Staten wel. Het principe werd onder meer toegepast tijdens de debatten rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen dit jaar. Media analyseerden het discours van zowel Barack Obama als Mitt Romney en probeerden zo na te gaan hoe eerlijk beide kandidaten waren. Een voorbeeld hiervan kwam van de New York Times, waar analisten duiding gaven over opmerkelijke uitspraken in een live overzicht van het hele debat. In de VS bestaan zelfs organisaties die de feitelijke correctheid van uitspraken analyseren. Het gaat hier vooral over initiatieven vanuit het onderwijs en non-profitorganisaties, met als een van de bekendste namen Factcheck.org.

Dit is een voorbeeld van fact checking over de meest recente Amerikaanse presidentscampagne op internationale televisie, in dit geval op CNN. De analist gaat hier in op de bewering van Mitt Romney dat Barack Obama  een wet in de bijstandsregeling zou aanpassen. Wie van bijstand wilde genieten, zou daarvoor niet meer binnen een bepaalde periode aan het werk moeten, wat sinds 1996 wel het geval was. Romney bleek echter ‘wat voortvarend’ te zijn, of ‘hij loog’, afhankelijk van hoe fel je de discrepantie wilt voorstellen.

Veelzijdige taak

Maar wat kunnen fact checkers dan bijbrengen aan de journalistiek? Volgens Maximilian Schäfer, zelf sinds 1998 wetenschappelijke fact checker voor het Duitse weekblad Der Spiegel, begint de bijdrage bij de reputatie van media. Publicaties waarin geregeld een fout te lezen valt, zullen daardoor aan reputatie verliezen en daaropvolgend misschien ook hun oplagecijfer zien dalen. In dat opzicht is fact checking niet puur luxe, maar ook essentieel voor kwaliteitsjournalistiek. Ook de bazen van tabloids zouden trouwens niet graag fouten zien staan in hun bladen, zoals leugens over bekende persoonlijkheden. Ook Jeroen van den Hoven en John Weckert zijn het daarmee eens: de kwaliteit van een publicatie gaat dankzij fact checking omhoog. Ze vinden wel dat het vooral om het waarheidsgehalte gaat en niet om toevallige fouten zoals spelfouten en typefouten. Zij beweren dan ook dat de feitenkennis van de lezers erop vooruit gaat dankzij de verhoogde kwaliteit van het gelezen werk.

Schäfer doet in zijn werk het proces uit de doeken. Een deel van het verificatieproces kan gebeuren vooraleer een artikel binnen is, maat dat aandeel blijft vaak beperkt. Het is niet (altijd) de bedoeling dat fact checkers nagaan of feiten waar zijn, maar in de eerste plaats wel dat de informatie in een stuk overeenkomst met die in de gebruikte bronnen. Het is volgens Schäfer wel handig om de allereerste berichtgeving te kunnen traceren als er twijfel is. In zekere zin vindt hij de berichten in magazines of kranten en zelfs persberichten gevaarlijk, omdat daar de feiten reeds samengevat en/of versimpeld worden. Daarnaast moeten bronnen kritisch bekeken worden op hun datum. In de geografie en andere wetenschappen zijn theorieën al vaak deels of helemaal omgegooid na nieuwe ontdekkingen. In andere gevallen worden kwesties complexer. De klassiek aangenomen grootte van de Mount Everest is 8.848 meter, maar andere bronnen spreken ondertussen van 8.844 meter. Wat de verschuivende aardplaten niet met een mens kunnen doen.

Nieuwemediaproblemen: crowd checking, de gebruiksvriendelijkheid van blogs en domeinverschillen

Ook voor de nieuwe media en de gebruikers ervan heeft  het fenomeen fact checking gevolgen. Schäfer verwijst hierover naar het fenomeen crowd checking. Niet alleen kunnen fact checkers nu sneller informatie verifiëren dankzij de huidige technologieën, hetzelfde geldt voor mensen buiten de gevestigde media. Zij kunnen fouten in internetbronnen opzoeken en erop reageren, al dan niet in een kritische mail of blogpost. Is dit een hulpmiddel voor de journalist? Ja en neen. Jawel, omdat burgers de informatiecorrectheid verhogen, maar ook niet, omdat ze officiële fact checkers onder hoge druk zetten.

Van den Hoven en Weckert stelen zich in hun boek daarnaast de belangrijke vraag: Is een blog minderwaardig ten opzichte van een ‘conventioneel’ nieuwsmedium, door het verschil in verificatie van de inhoud? Volgens hen zijn er altijd wel blogs die  zwaar tekort schieten en andere die het op hun beurt goed doen. Desondanks is de betrouwbaarheid van de blogosfeer iets heel anders dan de betrouwbaarheid van een enkele blog. Op zich kunnen blogs matig tot sterk getint zijn, bijvoorbeeld in een politieke context, mar het geheel aan blogs geeft wel een evenwicht aan meningen weer.

Let wel op: wanneer we het hier over politiek hebben bevinden we ons op een heel andere domein dan wetenschap, waarin veel vaker pasklare antwoorden bestaan voor problemen. In politieke zin is de blogosfeer dus zeker een goede pool, maar in wetenschappelijke contexten is de situatie anders. Al fluiten sommigen fact checkers in politieke context terug, zoals Ezra Klein van de Washington Post dat een jaar geleden deed. Politieke fact checkers zijn volgens haar vaak een middel waarop partijen terug kunnen vallen om hun gelijk te halen of het ongelijk van een ander te bevestigen.

Verdere dilemma’s

Zoals Schäfer zegt, zullen de bronnen die de journalist aangeeft en de minst herwerkte bronnen van belang zijn in het oordeel van de zogenaamde controleur. Tenzij dat natuurlijk een blog is, die eerste bron. Maar dan komen we terug op een andere post, waarin we ruwweg stelden dat we moesten opletten met de informatie in blogs. Met andere woorden, een vicieuze cirkel.

Een algemene bedenking voor ons journalisten: moeten we misschien allemaal wat meer de rol van fact checker op ons nemen, net zoals we op reportages vaker de rol van een klassieke cameraman en klankman op ons nemen?  Mensen als Alec MacGillis vinden alvast van wel, omdat het verificatieproces in handen ligt van een beperkte groep, die al eens compleet de bal mis slaagt. Andere stemmen steunen dan weer dit proces. Enerzijds kunnen fact checkers een steunende rol aannemen in plaats van een vervangende, anderzijds willen mensen zonder een rol in belangengroepen de waarheid te weten komen. Kortom, we kunnen er misschien best voor zorgen dat we feiten genoeg checken. Maar ook dat we vertrouwen hebben in wie ons helpt en, belangrijker nog, onszelf. Een kritische geest blijft dus van belang.

Bronnen

What’s in a name? – Over het label ‘journalist’

Dat nieuwe media niet altijd betrouwbaar zijn, hebben we al eerder aangehaald op deze blog. Maar wat betekent dit voor de status van zowel mensen die actief zijn in de ‘oudere’ als nieuwe media? Wat is nu eigenlijk een ‘journalist’, of wat moeten we daaronder verstaan? Wat is het onderscheid met pakweg een ‘blogger’?

Alan Knight, Cherian George en Alex Gerlis leidden hierover een debat op het eerste World Journalism Education Progress in 2007. Daarna toetsen we de voorstellen uit dit debat met andere bronnen en met elkaar.

Knight, George en Gerlis: Er moet iets veranderen

Volgens Knight kon iedereen een journalist zijn, zolang hij of zij professionele standaarden volgt. Hiermee onderscheiden ze zich van “de meeste bloggers, maar ook van Fox News”. Dit betekent wel dat Knight het klassieke onderscheid, waarbij de werkgever en het diploma bepalen wie journalist is, niet meer altijd relevant is.

Ook Gerlis pleitte voor een andere definitie. Hij wilde af van het imago dat journalistiek een ambacht is en pleitte dus voor een afgelijnde definitie van de journalist als een volwaardig iemand. Vroeger was volgens hem een journalist iemand die toegang had tot mediabedrijven en hun bronnen. In Groot-Brittannië kwam daarbij dat journalisten vroeger ‘apprenticeship’ (vergelijkbaar met een leercontract) moesten volgen bij een lokale krant vooraleer ze aan de slag konden bij nationale media. Ondertussen is die regel niet meer zo streng als ze ooit was.

Daarentegen gebruiken professionele journalisten tegenwoordig bijvoorbeeld blogs als bron. Burgerjournalisten die serieus worden genomen en toegang hebben tot professionele bronnen moeten volgens George zeker ook als journalist beschouwd worden. In die zin kan iedereen trouwens een journalist worden. George pleitte voor volgende criteria voor zogenaamde goede journalisten:

  • ze moeten, in vergelijking met amateurs/liefhebbers, hun vak serieus nemen;
  • ze moeten professionele werkwijzes en ethische codes volgen (nauwkeurig werken, bronnen verifiëren, feit en mening onderscheiden, bronnengeheim respecteren, kennis over mediawetgeving hebben en afstand van overheden en belangengroepen nemen);
  • ze moeten leren omgaan met blogs en andere user-generated content (UGC);
  • ze moeten voldoende opleiding krijgen, net als advocaten, dokters, leerkrachten en andere beroepen.

George belichtte de kwestie vanuit een ander perspectief. Vroeger konden ‘bloggers’ van de tijd, zoals politici, pamfletschrijvers en ideologen, ook hun mening kwijt in de toenmalige ‘pers’. Hij vond daarenboven dat een te strenge definitie van het beroep journalist in de kaart zou spelen van autoritaire regimes. Zulke staten kunnen namelijk enorme druk op hun pers leggen om bepaalde nieuwsberichten op een bepaalde manier te kleuren. Hoe minder journalisten, des te makkelijker de controle op de groep.

Hij pleit daarom voor een definitie als deze: iemand die op basis van waarneming, onderzoek en initiatief feiten omschrijft en commentaar levert en deze informatie aan het publiek verschaft. Volgens hen is het een te commercieel gericht idee om alle werknemers van nieuwsbedrijven als journalisten te beschouwen, maar tegelijk bloggers onder geen enkele omstandigheid onder die noemer te plaatsen.

Nabeschouwing

Ook Arthur Hayes, Jane B. Singer en Jerry Ceppos beroepten zich in hun academisch werk op het verleden. De persvrijheid zoals George die voorstelde lijkt op wat Hayes, Singer en Ceppos vertellen over  essayschrijvers. In de jaren 1700 speelden schrijvers als Defoe en Swift een cruciale rol in het ontstaan van journalistiek. De ene schrijver schreef politieke essays, de andere leverde commentaar zonder ‘incitement’ (aansporing), nog anderen deden aan belevingsjournalistiek. Met andere woorden, als we de achtiende-eeuwse Anglo-Amerikaanse standaard als uitgangspunt namen voor de definitie van een journalist, zou de betekenis ruim worden.

Misschien zouden we van training en opleiding een cruciaal criterium kunnen maken. Knight, George en Gerlis stelden dat iedereen die artikels schrijft getraind zou kunnen worden om correcte, nauwkeurige en kwaliteitsvolle artikels te schrijven. Daarom zou het goed zijn, mochten ethische en professionele normen in een journalistieke opleiding voldoende aandacht krijgen, indien niet centraal staan. Niet alle hedendaagse bloggers zullen even vaak informatie opzoeken en verifiëren omdat ze niet evenveel voeling hebben met de geldende normen op professioneel vlak.

Nog andere stemmen brengen verdere tegenargumenten in. Angela Phillips benadrukte bijvoorbeeld het belang van correcte informatie. Professionele normen maken volgens haar het verschil tussen de ene groep en de andere. Volgens haar is het ook logisch dat mediabedrijven met een veelheid aan medewerkers beter in staat zijn bronnen te verwerken en te verifiëren dan een individuele blogger. Wanneer het begrip journalistiek wordt uitgebreid, pleit ze ervoor dat vooral grote en kleine nieuwsbedrijven een plaats krijgen, op voorwaarde dat ze voldoende financiën hebben om hun lezerspubliek goede en kwaliteitsvolle artikels te leveren.

Inlevingsvermogen

Met andere woorden, een debat over het label ‘journalist’ lijkt wel degelijk op zijn plaats. Hetzelfde kan gezegd worden over een mentaliteitsverandering van ‘het volk’ tegenover nieuwsverspreiders – laten we ze even zo noemen. Wat dan de bepalende criteria moeten worden, daarover kunnen experts en anderen lang discussiëren.

Alleen is het misschien wel zo dat opleiding, training en bijscholing cruciaal zijn om te snappen dat een ‘perfect’ nieuwsbericht schrijven niet zo eenvoudig is als het lijkt. Wie schrijft, moet beseffen wat hij of zij doet, maar ook wat hij of zij kan veroorzaken, zelfs aanrichten. Correcte inhoud, correcte verwijzingen, geloofwaardigheid, betrouwbaarheid, …: het zijn niet zomaar academische begrippen, maar ze bepalen wie je bent. En, om even persoonlijk te zijn, een goede journalist is volgens mij iemand die de normen respecteert en zich tegelijkertijd kan inleven in de lezers en betrokkenen. Een goed artikel schrijf je niet voor jezelf, of toch niet in de eerste plaats. Dat doe je voor anderen.

Bronnen

  • Hayes, A. S., Singer, J. B., & Ceppos, J. (2007). Shifting roles, enduring values: The credible journalist in a digital age. Journal Of Mass Media Ethics, 22(4), 262-279. doi:10.1080/08900520701583545
  • Knight, A., Gerlis, A., & George, C. (2008). Who is a journalist? Journalism Studies, 9(1), 117-131. doi:10.1080/14616700701768204
  • Phillips, A. (2010). Transparency and the new ethics of journalism. Journalism Practice, 4(3), 373-382. doi:10.1080/17512781003642972

Internet: een toolbox voor journalisten of vergif? – Een kijk op Twitter

De taak van journalisten leek vroeger simpel: je nam een notitieblok, wat papier en een bandopnemertje mee en weg was je. Op naar de wijde wereld – of de jungle, hoe je het wil. Je deed je ding, kwam terug, typte je verslag in en klaar was je. Toch denken sommigen er net anders over. In de ‘goeie ouwe tijd’ was het bijvoorbeeld veel moeilijker om een netwerk op te bouwen, maar ook om nieuws op te vangen. Nieuws, laat dat net een onontbeerlijk gegeven zijn in de journalistiek.

Journalistiek heeft nogal wat evoluties doorgaan de voorbije jaren. Een van de nieuwe media die door de ene journalist bemind en de andere verguisd wordt, is Twitter. Welke rol speelt de microblogsite in het journalistieke proces? In hoeverre is dit medium interessant voor journalisten?

Is twitteren goed voor journalisten?

Even een inleiding voor wie Twitter nog niet zo goed kent. Twitter is in 2006 ontstaan als een project van enkele medewerkers van Odeo, een podcastbedrijf in San Francisco. Het project startte als een variant op sms’en, een site waarop je moest laten weten wat je doen aan het doen was. Hiervoor had je 140 tekens, een limiet die sinds de lancering nog niet veranderd is. Tussen april 2008 en april 2009 steeg het aantal gebruikers al spectaculair van 1.600.000 naar 32.100.000 gebruikers, maar in februari dit jaar haalde de site ook de kaap van een half miljard gebruikers. Kanttekening: Facebook telt ongeveer het dubbele aantal gebruikers. Ondertussen is Twitter een verzameling van nieuws, informatie, smalltalk en reclame. Maar ook al lijkt de portie nonsens groot, toch heeft Twitter heel wat te bieden voor journalisten.

Volgens de Canadees Alfred Hermida is Twitter namelijk een van de drijvende krachten achter een journalistieke revolutie. ‘Traditionele’ journalistiek steunt volgens hem op officiële bronnen, met informatie en citaten, die vorm geven aan het nieuws en informatieve teksten. Dit principe verschuift op media als Twitter naar het snel verspreiden van korte fragmenten van zowel erkende als niet-erkende bronnen. Hermida merkte deze verandering duidelijk bij gebeurtenissen als de bosbranden van Californië in 2008, de aanslagen in Bombay van november 2008 en de voorbije twee Amerikaanse presidentsverkiezingen. Hij noemt Twitter, en microbloggen in het algemeen, een uitdrukking van ‘collective intelligence’. De onmiddellijkheid en snelheid van de technologie wegen volgens hem op tegen het drukke karakter ervan. Tweets verschijnen namelijk chronologisch in plaats van op belangrijkheid, maar Hermida ziet in het uitklaren an tweets een toekomstige taak van de journalisten. Door de bomen het bos zien, zeg maar.

Toch is niet iedereen even lovend over Twitter. Onder meer de Amerikaan Richard B. Stolley waarschuwt voor de gevaren van het medium voor journalistieke doeleinden. Hij maakt hierbij het onderscheid tussen smalltalk en belangrijke materie: “Twitter’s brevity is a blessing when body odor is the subject; dangerous when something important is.” Hij verwijst hierbij naar de controverse die midden 2010 ontstond bij CNN na een tweet. Senior editor voor het Midden-Oosten, Octavia Nasr, werd ontslagen nadat ze haar mening gaf over een net overleden sjiitische Libanese geestelijke: “Sad to hear of the passing of Sayyed Mohammed Hussein Fadlallah… One of Hezbollah’s giants I respect a lot #Lebanon“. Het feit dat deze man als de geestelijke leider van de Hezbollah beschouwd werd, kan bijgedragen hebben tot de felle reactie van CNN, maar het bewijst wel dat journalisten moeten oppassen met wat ze op Twitter de wereld in sturen. Al is politiek een ander domein dan pakweg sport, waar minder ‘op het spel staat’.

Bekijk ook eens volgend filmpje. Moraal van het verhaal: Twitter en journalistiek gaan hand in hand, maar je kan er voordeel uit halen door het medium te accepteren en dus te benutten.

(Bron: http://www.youtube.com/watch?v=Nl9xI-kAE8A)

Twitter en Belgische journalisten: revolutie op komst?

Uit jaarlijkse onderzoeken van communicatiebedrijf Quadrant Communications blijkt dat de Belgische journalist stilaan de weg naar Twitter vindt. In 2009 gebruikte amper negen procent van de 330 geënquêteerde journalisten de microblogservice, maar van die groep gebruikte maar de helft met een account Twitter ook voor hun beroep. Na 2009 steeg het aantal journalisten met een account duidelijk. In 2010 zagen we een verdubbeling (18 %); in 2012 gebruikte net meer dan de helft van de journalisten Twitter (51 %). Uit dezelfde onderzoeken blijkt trouwens dat zowel LinkedIn als Facebook meer gebruikt worden in het proces van online nieuwsgaring. Het gebruik van LinkedIn steeg tussen 2010 en 2012 van 37 naar 56 procent. Facebook heeft zelfs de koppositie van de sociale/nieuwe media overgenomen, met ondertussen een bereik van 64 procent van de journalisten.

Een van de opgeroepen beelden uit het begin van deze blogpost was dat journalistiek minder complex was vroeger. Dat is deels zo, maar we mogen niet te nostalgisch zijn. Vroeger moest je een lijst aan telefoonnummers bij elkaar verzamelen van mensen die je kon bellen voor informatie of duiding. Ook daar kroop heel wat tijd in, en zulke lijstjes waren moeilijk up-to-date te houden. Tegenwoordig is een lijst telefoonnummers trouwens niet meer zo doeltreffend als vroeger. Wie vaak en goed twittert, kan een bruikbare contactlijst op Twitter opbouwen. Je kan de timeline van zulke tweeps (synoniem voor gebruikers van Twitter) bekijken om te weten of ze kennis hebben over een vakdomein waarover je wil berichten. Zo ja, kunnen ze je misschien vooruit helpen met nuttige informatie of hun mening over specifieke feiten. Als return kunnen de journalisten zich bewijzen als expert in hun vakgebied.

Voor de aspirant-journalisten onder ons: zet de stap naar Twitter. Bouw een netwerk op en volg het nieuws. Waag je je niet graag aan speculaties, volg dan vooral allerlei persagentschappen en internationale nieuwsbedrijven. En voor wie (nog) niet graag zijn of haar mening graag bekend maakt, is er nog altijd ‘het slotje’ om je account af te schermen van de buitenwereld. In ieder geval, onderhoud je netwerk, en daar kunnen sociale media een rol in spelen.

Bronnen

  • Al-Shagra, A. F. (2010, 8 juli). CNN fires ‘senior editor’ and 20 year veteran over a tweet. Geraadpleegd op 3 december 2012 via http://thenextweb.com/me/2010/07/08/cnn-fires-middle-east-affairs-senior-editor-over-a-tweet/
  • De Graeve, F. (2011, 30 december). Journalistiek in 2012. Geraadpleegd op 2 december 2012 via http://perspectief.wordpress.com/2011/12/30/journalistiek-in-2012
  • Dugan, L. (2012, 21 februari). Twitter To Surpass 500 Million Registered Users On Wednesday. Geraadpleegd op 4 december 2012 via http://www.mediabistro.com/alltwitter/500-million-registered-users_b18842
  • Hermida, A. (2010). Twittering the news: the emergence of ambient journalism. Journalism Practice, 4(3), 297-308. doi:10.1080/17512781003640703
  • Quadrant Communications (2012, 3 mei). Meerderheid Belgische journalisten gebruiken Twitter. Geraadpleegd op 2 december 2012 via http://www.hubwise.be
  • Sagolla, D. (2009, 30 januari). How Twitter was born. Geraadpleegd op 2 december 2012 via http://www.140characters.com/2009/01/30/how-twitter-was-born
  • Stolley, R. B. (2010). The power of truth. Publishing Research Quarterly26(4), 266-271. doi:10.1007/s12109-010-9174-3

Alles is relatief, ook de waarheid

Zijn nieuwe media een betrouwbare bron voor journalisten? Het is een vraag die liefhebbers ervan tot nadenken kan zetten. Bij mezelf kwam deze vraag onlangs boven toen een figuur uit mijn favoriete sport stierf: Sid Watkins. Voor wie geen idee heeft wie Sid Watkins is, volgt hier een inleiding:

Sid Watkins was een Britse neurochirurg die van 1978 tot 2004 actief was als hoofd van de medische staf in de Formule 1. In die functie redde hij meermaals het leven van piloten in benarde situaties. Watkins was ook de man die tevergeefs Ayrton Senna aanspoorde om uit de Formule 1 te stappen. Nadat collega Roland Ratzenberger het leven verloren had in een crash, wachtte Senna zelf de dag erna hetzelfde lot. Ook na 2004 zette hij zich in voor de veiligheid in de sport door samen te blijven werken met de internationale autosportbond FIA. Watkins werd om zijn goedlachse karakter en zijn betrokkenheid erg gerespecteerd in de Formule 1-wereld, zelfs nadat hij op pensioen ging. Hij stierf op 12 september 2012 op 84-jarige leeftijd aan een hartaanval.

De dood van Sid Watkins werd niet eerst op officiële nieuwssites aangekondigd, zoals je misschien zou verwachten. Het nieuws werd daarentegen eerst op Twitter aangekondigd en opgepikt door andere Twittergebruikers en blogs. Pas meer dan een uur nadien vermeldden gespecialiseerde sites het nieuws, al hielden deze een slag rond de arm en vermeldden ze dat er later meer details volgden. Uiteindelijk bleek de tweet te kloppen en pikten ook officiële nieuwssites het nieuws op.

Stel nu dat een journalist zich op een van de blogs had gebaseerd die het nieuws had overgenomen en het verhaal was fout, had dit een schokgolf kunnen veroorzaken. Staan bloggers dan te sterk in hun schoenen en proberen ze op elke mogelijke manier lezers te lokken? Ik bekijk de situatie voor blogs, omdat dit medium eenvoudiger opgezocht en geïndexeerd kan worden dan Twitter. Het volstaat om te vermelden dat de originele tweet over Watkins’ overlijden haast onmogelijk terug te vinden is.

Hebben bloggers de waarheid in pacht?

Bloggers zijn alvast overtuigd van hun kwaliteiten om nieuws over de wereld te verspreiden. Zowel Thomas J. Johnson en Barbara K. Kaye als Hong Ji en Michael Sheehy onderzochten deze stelling en kwamen tot de conclusie dat steeds meer bloggers zichzelf als journalist beschouwen. Hierbij kan je wel een onderscheid maken tussen volwaardige journalistiek en een aanverwante vorm. Ji en Sheehy stelden vast dat het percentage bloggers dat bloggen een volwaardige vorm van journalistiek noemde tussen 2006 en 2008 steeg van 16,7 procent naar 44,8 procent. Wanneer de onderzoekers ook rekening hielden met bloggers die vonden dat bloggen geen journalistiek was, maar wel een verwante vorm of een aanvulling aan journalistiek, steeg het percentage van 66,7 procent naar 76,2 procent.

Of bloggers daarom ook de waarheid vertellen, is een andere vraag. Johnson en Kaye wezen er in hun onderzoek op dat blogs net als de eerste nieuwswebsites door iedereen opgestart kunnen worden. Niemand moet de verantwoordelijkheid opnemen voor de inhoud op een blog, die zelfs anoniem gepubliceerd kan worden. Daarenboven moeten bloggers zich evenmin aan journalistieke waarden houden, iets wat journalisten zich moeilijk kunnen veroorloven tegenover hun werkgevers.

De inhoud van blogs is daarenboven niet altijd even correct als buitenstaanders denken, ondervond onder meer Angela Phillips in haar onderzoek over de transparantie van blogs en journalistiek. Sommige bloggers publiceren volgens haar geruchten zonder dat ze zeker weten of deze geruchten elders bevestigd zijn. Ze beschouwen waarheid eerder als een waarde die zich automatisch ontwikkelt, of zoals Phillips het noemde, a truth in progress. Volgens hem wachten zulke bloggers op reacties van lezers om zo te weten te komen of de inhoud in hun blogpost waar is. Je kunt de betrouwbaarheid van zulke blogs dus betwisten omdat je als bezoeker niet altijd na kunnen gaan waar de ongeverifieerde informatie vandaan komt. Dat geldt niet alleen voor mensen met (spontane) interesse, maar ook voor journalisten. Laat het net journalisten zijn die nood hebben aan betrouwbare en geverifieerde informatie.

Opletten blijft de boodschap

Blogs mogen dan nog een verrijking voor de media lijken, ze blijven soms een vergiftigd geschenk. In het voorbeeld dat in het begin van dit artikel aangehaald werd, bleek het nieuws te kloppen, maar er zijn ook voorbeelden waarin het foute nieuws gevolgen heeft. Zo was computerbedrijf Apple in oktober 2008 twee keer het slachtoffer van een blogpost met foute inhoud. In het eerste geval schreef iemand dat Apple een laptop uitbracht voor minder dan 800 dollar – een koopje, zal de Applekenner meteen denken. De New York Times schreven hier een artikel rond en de aandelen van Apple gingen van hoog (“Zo’n goedkope laptop?“) naar laag (“Wat een leugen!“). In het tweede geval schreef een andere blogger dat Steve Jobs een hartaanval gekregen heeft. Toen dit verhaal op de website van CNN verscheen, kregen enkele aandeelhouders het benauwd en verkochten ze hun aandelen. Tot bleek dat dit bericht fout was en de koers zich terug stabiliseerde.

Maar stellen we ons de vraag of een blog betrouwbaar is? Barrie Gunter, Vincent Campbell, Maria Touri en Rachel Gibson kwamen tot de bedenking dat die vraag niet altijd even prominent is. Mensen willen sneller van een grote en invloedrijke blog weten of ze betrouwbaar is dan van een blog die weinig succes kent. Zij vermoedden ook dat de gepercipieerde betrouwbaarheid van blogs vaak samenhangt met die van het internet als medium. Phillips vindt dat het antwoord op de vraag samenhangt met waarden die bloggers onderscheiden van professionele journalisten. Bronvermelding en transparantheid zijn de belangrijkste waarden daarvan. Als je geen bronnen bij een artikel vindt, heb je geen idee waar de informatie echt vandaan komt. Phillips geeft meteen toe dat het voor grote mediaconcerns makkelijker is om bronnen te verifiëren, dankzij hun grotere personeelsbestand. Toch is volgens haar de verhouding niet zo wit-zwart, omdat mediabedrijven tegelijk onder tijds- en gelddruk staan, wat de ethische normen ondermijnt.

Bloggers zien zich dus wel vaak als journalist, maar hun werkwijze is daarom niet altijd even journalistiek correct. De bewijzen dat foute informatie soms gevolgen op andere domeinen kunnen hebben, maken duidelijk dat iedereen die op zoek is naar informatie waakzaam moet blijven. Waakzaam voor elke bron, hoe betrouwbaar ze ook lijkt. Een gewaarschuwd mens is er twee waard, dus kijk volgende keer na als je informatie van een blog wilt gebruiken.

Nog een nuttige – maar misschien ook grappige – tip: als je naar reliable blogs zoekt, let dan extra op. Voor je het weet, gaat je zoekresultaat over de betrouwbaarheid van de servers …

Bronnen

  • Benson, A. (2012, 13 september). Sid Watkins: F1 safety and medical pioneer dies aged 84. Geraadpleegd op 23 november 2012 via http://www.bbc.co.uk/sport/0/motorsport/19578977
  • Gunter, B., Campbell, V., Touri, M., & Gibson, R. (2009). Blogs, news and credibility. Aslib Proceedings61(2), 185-204.
  • Ji, H., & Sheehy, M. (2010). Growing number of bloggers see their work as journalism. Newspaper Research Journal, 31(4), 38-47. Geraadpleegd via http://web.ebscohost.com
  • Johnson, T. J., & Kaye, B. K. (2004). Wag the blog: How reliance on traditional media and the internet influence credibility perceptions of weblogs among blog users. Journalism & Mass Communication Quarterly81(3), 622-642. Geraadpleegd via http://web.ebscohost.com
  • Panthaky, N. (2008, 3 november). How Credible Are Blogs? Geraadpleegd op 24 november 2012 via http://news.accuracast.com/blogs-7471/how-credible-are-blogs
  • Phillips, A. (2010). Transparency and the new ethics of journalism. Journalism Practice, 4(3), 373-382. doi:10.1080/17512781003642972

De digitale kloof: kunnen en moeten we er iets aan doen?

De digitale kloof, ook bekend als ‘the digital divide’, is een fenomeen dat verschillende betekenissen heeft. Je kan het bijvoorbeeld zien als de tegenstelling tussen mensen met en zonder internet, of die tussen mensen die wel een computer gebruiken en zij die dat niet doen. Anderzijds is een binaire opdeling van de bevolking niet altijd mogelijk. De Brit Neil Selwyn verwees bijvoorbeeld in een van zijn publicaties naar mensen die wel toegang hebben tot het internet, maar er geen gebruik van kunnen maken. Enerzijds hebben zulke mensen de technologieën binnen bereik en willen ze deze gebruiken, anderzijds gebruiken ze de technologieën niet altijd ‘even goed’. Dit om aan te tonen dat de de definitie van deze kloof al een discussie op zich waard is.

De vraag die we ons als medialiefhebbers ook kunnen – en moeten – stellen, is of technologie een objectieve noodzaak voor iedereen is of een hulpmiddel om je leven op je eigen manier te leven – en in die zin een persoonlijke keuze. Ook al lijken we gevangen in een stroom waarin het normaal wordt dat de wereld digitaliseert, toch zijn er mensen die ver van deze evolutie weg staan en daar geen probleem mee hebben. De vraag is dan hoe we deze ‘kloof’ aan moeten pakken.

Complexe kwestie

Eerst kijken we naar mogelijke oorzaken van de digitale kloof. Als er een kloof is, hoe ontstaat deze dan? De Nederlander Jan A.G.M. van Dijk somde in 2005 factoren op die het gebruik van digitale platformen (waaronder digitale media) kunnen beïnvloeden, zowel in positieve als negatieve zin:

  • tijd (voor verschillende activiteiten in je leven);
  • bezittingen (niet alleen ICT-benodigdheden en -diensten, maar ook bijvoorbeeld geld);
  • vaardigheden en kennis (niet alleen ICT-vaardigheden en -kennis, maar ook bijvoorbeeld sociale intelligentie);
  • netwerken en relaties waar je deel van uitmaakt (thuis, op het werk, in andere groepen);
  • culturele bagage (waaronder diploma’s).

Lina Van Aerschot van de universiteit van Tampere, Finland, en Niki Rodousakis van het ICCR (Interdisciplinary Centre for Comparative Research in the Social Sciences) in Wenen, Oostenrijk, onderzochten rond de jaarwisseling 2006-2007 de link tussen socio-economische achtergrond en internetgebruik. Volgens hen waren de leeftijd, scholingsgraad en (belangrijkste) job de belangrijkste factoren die beïnvloeden of iemand al dan niet vertrouwd is met het internet. 65 procent van de ondervraagden beweerde het internet niet nodig te hebben, terwijl amper 39 procent internet te duur vond. De inkomensgraad heeft dus ook degelijk invloed op de digitale positie van een persoon, maar minder dan zelfs de onderzoekers zelf verwacht hadden. Dat is inderdaad een opvallende conclusie in die zin dat je verwacht dat de kostprijs van alle technologieën voor mensen met een lager inkomen een drempel is. In dit tijdperk zijn het trouwens niet alleen computers, maar ook smartphones en tablets die toegang bieden tot de digitale wereld.

De algemene conclusie van Van Aerschot en Rodousakis is echter een combinatie van geld en motivatie: mensen uit een socio-economisch lagere groep die het internet niet gebruikten, zouden ook de motivatie niet hebben om zich te ‘bekeren’ tot de digitale wereld. Het gaat dus niet om mensen die zoveel geld hebben dat ze zich alles kunnen permitteren, al is daarmee niet gezegd dat deze mensen helemaal geen geld hebben om internettoegang te betalen. Van Aerschot en Rodousakis onderscheiden elders in hun onderzoek het gebrek aan:

  • motivatie en interesse;
  • vaardigheden en kennis;
  • financiële middelen;
  • bewustmaking over het bestaan van e-services en de mogelijkheden van het internet.

Merk op hoe in dit onderzoek de nadruk gedeeltelijk op de mogelijkheid ligt om de digitale en niet-digitale wereld met elkaar te vergelijken. In het onderzoek van van Dijk werd dit niet vermeld, maar werd wel aandacht besteed aan de aanwezigheid in het sociale leven en de culturele achtergrond van een persoon. De nuance van Van Aerschot en Rodousakis is echter niet helemaal van toepassing op de nieuwe media. Het kan namelijk niet moeilijk zijn om het bestaan van e-media te promoten; ouderen zullen bijvoorbeeld wel beseffen dat kranten ook online te lezen zijn en artikels op websites nog vaak gratis zijn. Specifiek voor oudere generaties zijn net de andere factoren een ‘onoverkomelijke’ drempel: ze weten niet hoe ze nieuwe media kunnen bereiken en/of ze vragen zich af waarom ze dat moeten. Er zijn trouwens toch nog oude media en die kennen ze zo goed.

Probleem of geen probleem: dat is de vraag

Je kan het probleem van de digitale kloof vanuit twee verschillende invalshoeken bekijken. De eerste daarvan is om de aangevoelde achterstand weg te werken. Van Aerschot en Rodousakis pleitten bijvoorbeeld doeltreffendere maatregelen om de digitale wereld bekender en toegankelijker te maken. Mensen uit de socio-economisch lagere groepen moeten gesubsidieerde of gratis oefensessies kunnen volgen. Daarnaast dachten de onderzoekers ook aan informatiecampagnes, subsidies voor internetgebruik en derden die bijstand leveren.

Een voorbeeld van zulke initiatieven op eigen bodem is Start2Surf, een project waarmee de federale overheid in 2009-2010 het computer- en internetgebruik bij de Belgische burger probeerde te verhogen. Er bestonden vier interessant geprijsde computerpakketten: met een nettop, een desktop, een netbook en een laptop. Elk basispakket bestond uit een pc, kantoor- en beveiligingssoftware, een breedbandinternetabonnement van een jaar, een computer- en internetopleiding en een kaartlezer. Momenteel bestaat van dit project alleen nog de tak Start2Surf PC Bonus. In dit project kunnen werkgevers hun werknemers met een bescheiden inkomen stimuleren een computerpakket te kopen door (deels) tussen te komen in de kosten. Het bedrag dat de werkgever betaalt – maximaal 760 euro (inclusief btw) – is voor de werknemer fiscaal vrijgesteld.

Anderzijds moeten we nogmaals verwijzen naar het gebrek aan motivatie bij niet-gebruikers. Kunnen we mensen verplichten om in sterke mate digitaal te leven? Selwyn vindt het alvast een beter idee om de kwestie aan de wortels aan te pakken: niet op maatschappelijk vlak, maar bij de individuën zelf. Hij beschouwt het als een persoonlijke keuze dat bepaalde mensen geen computer gebruiken. Zulke personen hebben vaak iemand anders die hen helpt wanneer ze het internet nodig hebben of nuttig vinden. Dat betekent dat ze die ‘tussenpersoon’ gebruiken om hun leven te leiden en niet het internet op zich.

Het is gevaarlijk om appelen met peren te vergelijken, maar mensen verplichten om op de digitale sneltrein te stappen lijkt hetzelfde als werknemers verplichten om met een bepaald vervoermiddel naar hun werk te gaan. De digitale kloof is er dan misschien wel, maar dat hoeft geen bron voor stigma’s of neerkijkend gedrag te zijn. Sommigen willen het nu eenmaal zo en zien het nut niet in om hun hele leven digitaal te leven. En dat is misschien ook een goed standpunt voor mediabedrijven: promoot digitale versies en platforms gerust, maar denk eraan dat een aanzienlijke groep deze (nog) niet gebruikt. Je kan bijvoorbeeld als krantenbedrijf zowel digitale als papieren versies aanbieden, om beide doelgroepen eenvoudig te blijven bereiken. Hoe je dat doeltreffend doet, en dan denk ik vooral aan het financiële plaatje, dat is misschien wel het thema’s van een van de volgende blogposts.

Bronnen

  • Selwyn, N. (2006). Digital division or digital decision? A study of non-users and low users of computers. Poetics, 34 (4/5), 273-292.
  • Van Aerschot, L., & Rodousakis, N. (2008). The link between socio-economic background and Internet use: barriers faced by low socio-economic status groups and possible solutions. Innovation: The European Journal Of Social Sciences,21(4), 317-351. doi:10.1080/13511610802576927
  • van Dijk, J. (2005). The Deepening Divide: Inequality in the Information Society. London: Sage
  • http://www.fedict.belgium.be/nl/over_fedict/realisaties/Start2Surf.jsp